Het verhaal van een steen

In ons jaartallenboekje staan 1400 jaartallen en daar is er één van fout, of beter gezegd niet helemaal volledig en duidelijk. Dat is het jaartal 1860: Er wordt een Jodenkerk gebouwd aan de Kloosterstraat. Op zich is dat waar, maar het muisje blijkt toch nog een staartje te hebben.

Veel eerder woonden er Joodse families in Ootmarsum. De eersten worden gemeld in 1757. Midden vorige eeuw zijn hier een zestigtal Israëlieten en in 1890 nog 48. Natuurlijk zal er eens een Joodse kerk, synagoge of sjoel zijn gekomen voor zo’n voor Ootmarsum tamelijk flinke gemeenschap. Het is dan ook waar dat er wat is gebouwd in 1860, maar….

Het leek wat vreemd dat er een eeuw na de komst van de eerste Joden pas een synagoge werd gebouwd, maar bij gebrek aan betere gegevens hielden we 1860 aan. Het is n.l. niet doenlijk voor elk jaartal een lange studie te maken, dan was het boekje pas in de volgende eeuw verschenen. Het zinnetje achter het jaartal suggereert een complete nieuwbouw.

Bij restauratiewerkzaamheden aan de Israëlietische begraafplaats op de Kuiperberg trok een steen de aandacht, geen grafsteen, maar een gevelsteen van de Joodse synagoge, die daar was gedeponeerd. Er stond in het Hebreeuws wat op. Jan Tenniglo kwam op ’n dag met een foto van die steen en een brief. Die brief was van de heer Wasserman in Son. Hij was door Jan aangezocht een vertaling te geven van de vreemde lettertekens. In het antwoord van 19 nov. staat: “In het Hebreeuws zijn de letters en cijfers gelijk. Om aan te duiden dat het om de cijferwaarde van de letters gaat en niet om de woorden gebruikt men puntjes of komma’s boven de lettertekens. Dat is hier gebeurd,” schrijft hij. Zo staat er:

Bovenaan: “In het jaar”.

2e regel: het jaartal “5599”. In de Israëlietische jaartelling is het nu (dus in 1985) het jaar 5746. Dat is dus 5746-5599 = 147 jaar geleden, ofwel 1838.

Links onder: “PS – C”; dat is psalm C en C is het Romeinse cijfer voor 100; dus wordt psalm 100 bedoeld.

Rechts onder: “VS 4”; dat is vers 4. Dus psalm 100 vers 4. Dat is een spreuk en die luidt: “Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofzang, looft Hem, prijst Zijn naam.”

Daar zaten we dan. Klaar en duidelijk vertelde deze steen ons dat 1838 het bouwjaar van de synagoge was en niet ’60. Of toch? Onze twijfels rond 1860 waren grondig geworden, dus kwam ook onze vermaarde nieuwsgierigheid weer om de hoek kijken en begon er weer een tijdrovende speurtocht.

Op 10-1-83 bleek al dat het Ned. Israëlietisch Kerkgenootschap in Amsterdam ons niet verder kon helpen en verwees naar de Bibliotheca Rosenthaliana. Deze hield het op 1860 als bouwjaar en verwees ons verder naar Monumentenzorg.

De Ned. Israëlietische Gemeente in Enschede bleek ook van niets te weten en noemde het Joods Historisch Museum in Amsterdam als inlichtingenbron. Dat was op 26/1. Van Monumentenzorg kwam op 4/2 een uitvoerig schrijven. Men had iets gevonden over de synagoge aan de Kloosterstraat uit 5620, d.w.z. 1860. Uit archivalische gegevens was gebleken dat een vorige synagoge in 1859 gedeeltelijk door brand was vernield. Volgens het Aardrijkskundig woordenboek van v.d. Aa was er een kleine synagoge uit 1843.

Joodse steen

Ofschoon v.d. Aa in ’t algemeen vrij betrouwbaar is, klopte dat dus niet met onze gevelsteen. Dat de steen uit een andere plaats zou kunnen komen is erg onwaarschijnlijk. “Of komt de steen soms van ’n ander gebouw: schooltje, badhuisje (mikwe) of een reinigingshuisje (metaherhuisje) op de Joodse begraafplaats?” was de vraag, maar de tekst wees duidelijk op een synagoge. Geen mens kon zich iets dergelijks herinneren op de Kuiperberg. Toen we Zeist nadere gegevens over de steen hadden verstrekt, kregen we op 18/2 een zin uit ’t boek van v.d. Aa te lezen: “De Israëlietische bijkerk is een klein maar net gebouw, dat in het jaar 1843 geheel nieuw gebouwd en den 22 December van dat jaar ingewijd is”. Prachtig, maar dat klopte helemaal niet met 5599 (1838).

Intussen had het Joods Historisch Museum in Amsterdam, dat zelf niet kon helpen, ons op 3 febr. verwezen naar het Algemeen Rijksarchief in ’s Gravenhage en dat bleek de gouden hint te zijn. We halen er uit aan:

“Uit de stukken blijkt dat de Israëlietische gemeente te Ootmarsum in 1835 subsidie vroeg aan de Koning voor de aankoop van een huis en de verbouwing daarvan tot synagoge. Tot dusver had men de Godsdienstoefening gehouden in een gehuurde bovenkamer van een bouwvallig huis door Christenen bewoond. Het verzoek werd afgewezen, maar opnieuw ingediend in 1837, 1838, 1842 en 1843. Het huis zou afgebroken moeten worden en opnieuw opgebouwd. Totale kosten ƒ 2400. Zelf kon de gemeente ƒ 800 doen, gevraagde subsidie dus ƒ 1600. In het laatst genoemde jaar werd op 24 augustus uiteindelijk machtiging verleend tot het verbouwen van een huis tot synagoge.

Met de eigenaar van het huis, Joachim Meijer Cantor, werd overeengekomen, bij notariële akte op 14 maart 1843 verleden voor notaris L.J. Barendtzen te Tubbergen, dat de woning na een huurperiode van 30 jaar à ƒ 30 per jaar eigendom zou worden van de Israëlietische gemeente.”

Hier volgt dezelfde zinsnede uit het boek van v.d. Aa als boven, die constateerde dat er in 1843 in Ootmarsum een nieuwe synagoge was. Vervolgens:

“In 1859 diende men een verzoek in om subsidie ten behoeve van herbouw en herstel van de op 1 maart door brand verwoeste school en zwaar beschadigde synagoge.”

Dat werk was in 1860 klaar. Het betrof dus een herbouw en de oude gaaf gebleven gevelsteen werd opnieuw gebruikt. Een tweede bevestiging van dit gegeven vinden we in een jaarboek van 1913-1914 dat slechts één keer verscheen. Daarin wordt op blz. 221 de synagoge aan de Kloosterstraat vermeld uit het jaar 5620 d.w.z. 1860. Niets wetend van bovenvermelde voorgeschiedenis hebben we dit als stichtingsjaar van de “Jodenkerk” aangenomen. Nu is gebleken dat dit niet juist is geweest, maar het klopt weer niet met het jaar 5599 ofwel 1838.

Samenvatting.

1. Er was al een kleine huissynagoge rond het jaar 1880 in Ootmarsum.

2. Na veel verzoeken (1835 – 1843) kwam er vergunning voor een synagoge plus school door verbouwing van een huis aan de Kloosterstraat.

3. Op 1 maart 1859 werden sjoel en school door brand verwoest.

4. De ingrijpend vernieuwde synagoge kwam klaar in 1860.

De onder 2 genoemde verzoeken werden meestal ondertekend door H. Livendag, kerkmeester der bij-synagoge te Ootmarsum.

Conclusie

Hoe zit dat dan met die steen? Er staat geen 1860 op en geen 1843, maar 1838. We kunnen geen andere gevolgtrekking maken dan dat de gevelsteen al vast werd gemaakt, omdat men dacht dat de synagoge na de eerste aanvragen, maar zeker in 1838 wel gereed zou zijn. Helaas wisten ze niet dat ook toen al de ambtelijke molens langzaam draaiden en het duurde nog vijf jaar voor de vergunning er was. De steen is er niet om veranderd.

SynagogeTot slot konden we nog nagaan dat de Joodse familie Joachim Meijer Cantor welgesteld was en meerdere huizen had binnen Ootmarsum, zoals in 1829 b.v. aan de Schiltstraat, Pläske en Grotestraat.

De synagoge was al een tijdje buiten gebruik toen ze samen met het grasveld op 27-9-1932 werd aangekocht door de Zusters van O.L.Vrouw van Amersfoort. Het werd vooral het werkterrein van Jan Hulsink. Kadastraal stond de synagoge op no. 731. In 1829 woonde Pennink daar nog.

Deze Jodenkerk werd in augustus 1936 gesloopt toen de bouw van het nieuwe klooster zou beginnen.

Van al de instanties die in dit verhaal zijn genoemd kon ons geen enkele helpen aan een foto of tekening van deze Jodenkerk van Ootmarsum. Wie van de lezers kan dat?

In elk geval weten we nu van de Jodenkerk aan de Kloosterstraat wat meer, dank zij de steen van Jan.

Gustaaf Klaas

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1984: Het verhaal van een steen, pagina 58

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast.

Ga naar de inhoudsopgave van 1984
Het verhaal van een steen
2026-09-09 03:32:55