Perikelen rond de Goudkamp

Bij het nazoeken van het archief van Ootmarsum vanaf 1810 tot 1930 stuitten we op een brief van een Campstede uit Lingen aan de toenmalige burgemeester de heer J.W. Essink. De brief van 21-7-1821 was een antwoord op een vraag van de heer Essink. Het toenmalig gemeentebestuur van Ootmarsum meende recht te hebben er eigenaar te zijn van de Goudkamp, nu nog in de volksmond Goldkamp. Deze Goudkamp ligt in de gemeente Tubbergen tegen de Duitse grens, ongeveer vanaf de Laagsestraat tot aan de samenstroming van de Dinkel en Gele beek. Campstede weet er zelf niet zo heel veel van, maar hij zendt wel een door zijn vader geschreven afschrift der Stadsrolle mee. Daar staat iets in over de Goldkamp. De Stadsrolle is een verzameling van alle rechten en plichten die de stad in de loop der tijd had verkregen.

In het 11e capittel van de Stadsrolle gaat het over het ontstaan van Ootmarsum en dateert van ± 1300. We lezen er in:”Te weten dat onze Stad en Meente is gewaard te heide en te weide in de marke van Olden Ootmarssen, herkomende van eenen erve genoemd de Goldkamp dat toebehoort onzer Stad en Meente en voor meente ganslijk blijven liggen niet veer van Rupenhuize…” en verderop:”Altijd gewaard gewezen tot der wilde weide”.

Het vertelt hoe de stad is ontstaan op de grenzen van 2 marken, Nutter en Oud-Ootmarsum aan de ene en Klein- en Groot Agelo aan de andere kant en over haar rechten en voorrechten. (zie Snuif ook op blz. 301)

Deze rechten en voorrechten kwamen van de grond en erven waarop Ootmarsum ligt. Het waren de rechten op de onverdeelde gronden als weiderechten en plaggen steken.

Het erve Goudkamp lag volgens het stuk geheel buiten Ootmarsum, zelfs buiten de marke Oud-Ootmarsum, maar is toch eigendom geweest van de stad Ootmarsum met de daaruit voortvloeiende rechten, maar deze eigendomsrechten waren blijkbaar wat verwaarloosd, verjaard zouden wij zeggen. De heer Essink meende dit weer te kunnen rechtzetten door getuigenverklaringen van omwonenden en ter plaatse bekenden. Deze getuigenverklaringen gaan hoofdzakelijk over de “groente”, de groengrond, d.i. de wilde weide in de Goudkamp.

Om een proces te kunnen voeren was toestemming nodig van de gouverneur van de provincie Overijssel. De commissaris van de provincie werd toen Gouverneur genoemd.
De voorwaarden daarvoor waren:

1. Proberen tot een minnelijke schikking te komen;
2. Een raadsvergadering over de poging tot die minnelijke schikking.

Getuigenverklaringen – wie werd opgeroepen?

Vijf boeren uit Halle in Duitsland: Hamman, Veldhof, de Konink, Holthuis en Weersman. Dat komt omdat de marke Hezinge, waar Halle toe behoorde, zich ook tot over de grens uitstrekte en de boeren dus ook gebruiksrecht hadden op de onverdeelde markegrond in Nederland. Verder nu nog bekende namen als Schutte, Dijkhuis, Jansen uit Ootmarsum, Brunninkhuis, Wagtboer uit Mander, enz.

Ze verklaarden allen dat ze de Goudkamp wel kenden en er geweest waren. Vroegere schaapherders hadden instructies gekregen waar de schapen gehoed mochten worden en waar niet. Iedereen verklaarde bovendien dat de “groente” in de Goudkamp door de boer Roepe werd verdedigd, zodanig zelfs dat de Roepe zijn hond wel eens achter de schapen aan stuurde om die te verdrijven.

Lölf verklaarde op de Goudkamp plaggen te hebben gestoken, wat hem door boer Roepe was verboden. Lölf had zich daarover vervoegd bij burgemeester Essink, die hem had toegestaan de reeds gestoken plaggen op te halen; dat deed hij zonder daarin door de Roepe te worden gehinderd.

Jan Schutte had ook plaggen gestoken, maar was gehinderd door de Roepe en Hoekhuis, zo zelfs, dat ze hem de paarden hadden uitgespannen om die naar burgemeester Essink te brengen en hem daar aan te klagen. Dit was niet doorgegaan, omdat een broer van de Roepe, Berend, dit niet had gewild. De plaggen waren meegenomen door de Roepe en Hoekhuis. Berend de Roepe ging naar de vrederechter en die had geordonneerd de plaggen weer terug te brengen.

Goedheerenvergadering

Op een desbetreffend verzoek antwoordde de Gouverneur bij monde van Interim President van G.S. de heer Sandberg:

“Na het ontvangen van Uw missive van 26-9-1821 no.312 heb ik de Heer Directeur der Domeinen verzocht, om den, vanwege de Domeinen fungerende markerichter van Hezingen te willen aanschrijven, eene goedsheerenvergadering te beleggen ten einde te beproeven het tussen die Marke en de stad Ootmarsum gerezen geschil te assepiëren. De Heer Directeur voornoemd heeft mij daarop medegedeeld het bericht van de markerichter van 28 oktober, medebrengende dat U Ed. had uitgeschreven een goedheerenvergadering, op welke een commissie van 8 leden was benoemd, bestaande uit vier Ootmarsumse burgers en vier inwoners van Hezingen. Ik verzoek U Ed. mij na afloop dezer vergadering te willen informeren van deuzelfs resultaat….enz.”

Een raadsvergadering hierover moest burgemeester Essink missen “wegens ongemak aan zijn knie”. Op 24 november stuurt hij bij monde van de vrederechter Goossen een schrijven naar de Meerbekke, Brunninckhuis, Roepe en Hoekhuis en dringt aan op een antwoord op de voorstellen van Ootmarsum t.w. “de voorgedragen scheiding te accorderen en aan te nemen” en dat vóór zondag 25 november te 12 uur. In het nu volgende schrijven van 27 nov., ondertekend door de boven gestelde 4 burgers van Ootmarsum en 4 inwoners van Hezingen, lezen we de

Eindconclusie.

“De Commissie benoemd bij resolutie van de goedsheerenvergadering van de marke Hezinge, gehouden in tegenwoordigheid van het gemeentebestuur van Ootmarsum en de daartoe gemachtigde burgers ten huize van Gerrit Jan Scholte te Hezinge op den 23sten October 1821, bestaande uit de navolgende leden, als van de stad Ootmarsum de Heeren J. Essink, A. Gooszen, G. Heupink en A. Berend Berends en van de kant van Hezingen J.B. Meerbekke, G.J. Brunninkhuis, Jan Roepe en B. Hoekhuis, is op heden op het huis der gemeente te Ootmarsum vergaderd ten einde te delibereren over een ontstaan geschil tusschen de stad Ootmarsum en de marke Hezinge over den eigendom van een hoeks grond, den Goldkamp genaamd, gelegen in het Hezinger veld en expresselijk tot het afmaken van dit geschil, genoemd bij bovenvermelde resolutie en is na lange deliberatie gebleken, dat dit geschil door voornoemde commissie niet is kunnen bijgelegd worden, omdat de representanten der Marke Hezingen het bedoelde stuk grond niet anders voor het eigendom der stad Ootmarsum willen erkennen dan onder het bezwaar dat hetzelve nimmer zal mogen afgemaakt, bevrugt of verkocht worden, zijnde overigens de door dezelfde commissie op ter plaatse gemaakte afbakeningen van weerskanten naar genoegen. En heeft de bovengenoemde Commissie ter erkentenis van de echtheid van bovenstaande deliberatiën het tegenwoordige ondertekend.

Ootmarsum, den 27 November 1821″

dan volgen de
acht handtekeningen

Hiermee was deze kwestie ten einde, maar het door burgemeester J.W. Essink beoogde doel was niet bereikt.

Werkgroep Geschiedenis I

In dit verhaal is aan de zinsbouw en de toenmalige schrijfwijze zo min mogelijk veranderd. (Red.)

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1984: Perikelen rond de Goudkamp, pagina 24

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast.

Ga naar de inhoudsopgave van 1984
Perikelen rond de Goudkamp
2026-09-09 03:37:55