Het huis aan de Walstraat
Steeds weer duikt de naam ”Drostenhuis” op als er sprake is van het perceel Walstraat 1. Dit is een foutieve benaming, daar er in dit pand nooit een drost heeft gewoond.
Drosten waren bestuurs- en rechterlijke ambtenaren ten plattelande, met een enorme macht. Het gebied waarin ze deze uitoefenden heette drostambt.
Zo was er ook een drostambt Twente. Twee drosten, uit de familie Van Heyden-Hompesch, kwamen uit Ootmarsum en ze woonden op de voormalige Commanderie der Duitse Orde. De laatste van deze twee, Sigismund graaf van Heyden-Hompesch, maakte zich erg gehaat door onder andere het streng handhaven van de zogenaamde drostendiensten, een oud instituut van dienstverlening door boeren en burgers. Twente was het laatste drostambt waar dit instituut werd opgeheven. Jan Derk van der Capellen tot den Pol heeft hiertoe in de Overijsselse vergadering het voorstel gedaan.
Tenslotte verdwenen ook de drosten zelf. De allerlaatste was Dirk Bentinck, die tot 7 februari 1795 zijn functie uitoefende vanuit Diepenheim.
De Bataafse Republiek die daarna kwam, heeft bestaan tot 1806. In dat jaar werd Nederland een koninkrijk onder Lodewijk Napoleon, een broer van Napoleon Bonaparte. Vanaf die tijd werden er „drosten-nieuwe-stijl”, eigenlijk baljuws of ook wel schouten genoemd, benoemd door de koning; het waren landsdienaren, belast met de rechtspraak in een bepaalde streek.
In 1809 bezocht Lodewijk Napoleon Twente, bij welke gelegenheid de kerkgebouwen werden herverdeeld tussen de rooms-katholieken en de hervormden.
Volgens C.J.M. van Helvoort (1) kon men het toen niet eens worden over de verdeling van de kerkelijke goederen. De toenmalige landdrost van Overijssel, genaamd Hofstede, besliste dat katholieken en hervormden beide een commissie zouden benoemen tot regeling van die kwestie. Deze onderhandelingen moesten plaatsvinden ten overstaan van de Twentse baljuw H.K. Cramer.
Wie is deze baljuw Cramer, en… waar woonde hij?

Baljuw H. Cramer
Daarvoor blikken we terug in de tijd en wel tot 1756. In dat jaar werd Hermannus van Beverforde, de toenmalige hofmeier van de bisschoppelijke Hof Ootmarsum weduwnaar, toen zijn vrouw, Antoinetta ten Cate stierf na de geboorte van hun zoon Anthonie Vosding van Beverforde. Hermannus had al een dochter Arnolda Maria G., die evenwel uit de geschiedenis verdwijnt, want toen Hermannus in 1793 stierf was Anthonie de enige erfgenaam. Hermannus was inmiddels in 1767 hertrouwd met de in Groningen wonende weduwe van Hermannus Cramer. Deze kwam met haar zoon, die Hendrik Knijpinga-Cramer genoemd werd, naar Ootmarsum en die zoon werd de latere baljuw! Zijn moeder heette met haar meisjesnaam Mettina Aldegonda Knijpinga. Hermannus en Mettina trouwden onder huwelijkse voorwaarden. Alleen vielen de goederen, die het echtpaar tijdens hun huwelijk verwierf, daar niet onder.
Deze goederen werden na de dood van Mettina in 1794 oorzaak van grote onenigheid tussen Anthonie Vosding van Beverforde en baljuw H.K. Knijpinga-Cramer. Een en ander leidde tot een slepende procedure die uiteindelijk na jaren door Anthonie werd verloren.
Het betreffende vonnis was echter in de ogen van Anthonie onrechtvaardig en om dat aan te tonen schreef hij in 1817 een boek getiteld: ”Verhaal van de procedures gevoerd tusschen nu wijlen Mr. Hendrik Knijpinga-Cramer, Aanlegger, en Mr. Anthony Vosding van Beverforde, Verweerder, de eerste in leven gewoond hebbende in de stad Ootmarsum, de tweede alsnog wonende in de stad Ootmarsum, in het Arrondissement Almelo, Provincie Overijssel” (2). Kennelijk is H.K. Knijpinga-Cramer in 1817 reeds overleden…
In dit boek noemt Anthonie ook een kind, dat H.K. Knijpinga-Cramer verwekt zou hebben bij zijn dienstbode Judith Waanders. Het kind heet Herman Borgert. Judith trouwde namelijk met een man die Borgert heette. Deze Herman Borgert wordt universeel erfgenaam van de nalatenschap van H.K. Knijpinga-Cramer (geen van diens familieleden deelt in de erfenis) en neemt dan de naam Herman Cramer aan. Op een plattegrond van Ootmarsum uit 1829 woonde een H. Cramer in het pand Walstraat 1, met daarnaast nog een paar bezittingen in dezelfde straat! Het is dus erg waarschijnlijk dat ook baljuw H.K. Knijpinga-Cramer daar voordien woonde.
Zowel Anthonie Vosding van Beverforde als H.K. Knijpinga-Cramer waren patriotten. (3) Het is dan ook verklaarbaar dat H.K. Knijpinga-Cramer in de tijd van het Koninkrijk Holland de toch nog belangrijke baan van Baljuw kreeg.
Als koning Lodewijk Napoleon in 1809 Ootmarsum bezoekt en daar overnacht, slaapt hij in de dan nog bestaande Commanderie. Volgens de inkwartieringslijst (4) wordt bij Anthonie Vosding van Beverforde de Minister van Binnenlandse Zaken ondergebracht. Hij woont dan in het pand aan de Grotestraat 15 waarin nu de zaak van Brummelhuis is gevestigd. Bij de Bailli (het Franse woord voor baljuw) Cramer logeert de Commissaris der Posterijen. Deze zou dan in het perceel Walstraat 1 hebben vertoefd.
Als wij nu horen spreken over het pand Walstraat 1 als zijnde ”Het Drostenhuis”, dan is de term drost op te vatten als drost ”nieuwe-stijl”. De naam drost is tot op heden nog gangbaar gebleven, zelfs in officiële stukken. Han Lammers kreeg de titel Landdrost van Flevoland.
Werkgroep Geschiedenis II.
(1) C.J.A. van Helvoort: Losser Voorheen en Thans, pag. 63 en 64.
(2) A. Vosding van Beverforde: Verhaal vande procedures etc.
(3) Heemkunde Ootmarsum: Ootmarsum in de Franse tijd. (Patriottenlijst)
(4) Heemkunde Ootmarsum: Ootmarsum in de Franse tijd (Inkwartieringslijst)
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1989, pagina 13: Het huis aan de WalstraatDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 1989 →

