Gezondheidszorg in vroeger tijd in Ootmarsum

In dit artikel bepalen wij ons tot de uit de gemeenschap voorkomende zorg voor zieke en kwetsbare mensen gedurende de middeleeuwen en de nieuwe geschiedenis, tot ongeveer het begin van de negentiende eeuw.
De op markten en kermissen door kwakzalvers aangeboden hulp blijft buiten beschouwing.
Reeds vroeg is in Ootmarsum sprake van een tweetal instellingen, die zich de zorg voor de gezondheid aantrekken.
Het zijn de leprozerie, ook genoemd melaatsenhuis of Lazarushuis, en het gasthuis, dat ook wel eens hospitaal werd genoemd.

De leprozerie

De leprozerie wordt vermeld door pastoor Geerdink. Hij schrijft:

 

“Op een kleinen afstand van hier (Ootmarsum) was een hospitium pro leprosis, eene inrichting voor degenen die uit de kruistochten in de middeleeuwen melaatsch terugkeerden.
Toch met 1500 scheen zij zoo wat doelloos te worden volgens een handschrift van 1501:
Tot troost van den armen Lazarus zullen de proviseren toezien en zorgen, dat de Lazarus geen kommer hebbe in syner herberge van bedding en lakenen.
Wanneer de Lazarus is verstorven of te veruaren, dan zullen de proviseren eenen eerbaren armen Lazarus weder in die stede zetten; die zal en mag ter weeke driemaal ommegaan, als op zondag, woensdag en vrijdag.
Item, hij zal de kapelle en hof met huis en gaarden alzoo laten als hij dat vindt, dat te verbeteren, niet te verderven.
Item, hij zal de voetpad holden tusschen de stad en beteren hem tot zyne huize (over den Zelkamp).
Als men den armen aanneemt, zal hij medebrengen een goeden bekenden Lazarus die betuige van zijn krankheid en deugd, en dat hij sta onder eene eerzame broederschap, die zij plegen onder zich te holden en anders zal men hem niet aannemen, tenzij zake, dat men hem bijzonder wel kende, want dezelve die onder geen broederschap staan, wel schalken plegen te wezen en oneerlijker als anderen armen.” ¹

Er was dus sprake van een zekere ballotage.
Als volgens pastoor Geerdink omstreeks 1500 de leprozerie niet veel meer te betekenen had, kan men zich afvragen, waarom in 1494 nog het altaar in de kapel van de leprozerie werd ingewijd, tegelijk met de zeven altaren in de parochiekerk, die een grote uitbreiding had ondergaan.
Nog in 1627 werd door de magistraat van Ootmarsum een certificaat uitgereikt aan de “leprosus” Johan van Bangen. ²
Volgens een door Drs. A.L. Hulshoff te Parijs aangetroffen en door hem gepubliceerd geschrift, waarin ook de wijding van het altaar in de leprozerie wordt vermeld, stond deze buiten de stad aan de “agger salicum” of de Wilgendijk.³

Gasthuisstraat
De Gasthuisstraat anno 1969. Ongeveer aan het eind rechts stond het Gasthuis

Op de door Jacobus van Deventer, in opdracht van Filips II getekende plattegrond van de stad Ootmarsum, is buiten de stad een torentje zichtbaar.
Aannemende, dat dit het torentje is van de kapel van de leprozerie, dan zou deze dichtbij of aan de Eerste Stegge hebben kunnen staan.
In een artikel van de hand van F.K. van Ommen Kloeke, kunnen wij iets meer te weten komen over melaatsheid en behandeling en verzorging van de melaatsen in de leprozerieën in Overijssel.⁴
Een uittreksel uit dat artikel laten wij hieronder volgen:
Melaatsheid was reeds in de oudheid bekend.
Al in de bijbel worden verschillende soorten genoemd al naar de verschijnselen, die zich bij de lijders van de ziekte voordeden.
Troepen van de Romeinse veldheer Pompejus zouden de ziekte vanuit Egypte naar Europa hebben overgebracht en in de 8ste eeuw zouden de in Spanje gevestigde Joden en Sarracenen de ziekte naar Frankrijk hebben verspreid.
De grootste uitbreiding werd echter veroorzaakt door de kruistochten.
Aanvankelijk kwam de ziekte onder alle lagen van de bevolking voor, hetgeen tot uitdrukking komt door een gezegde van een oude Franse schrijver:
“Ki n’ épargne ne roi ne conte”, d.w.z. “Die koning noch graaf spaarde”.
Door betere hygiëne onder de rijken nam de ziekte daar af.
Alle ziektegevallen, die tot de melaatsheid werden gerekend, waren dat echter niet.
Zo werden huidtuberculose en geslachtsziekten vaak voor melaatsheid aangezien.
In het begin was het met de bestrijding en behandeling van de ziekte slecht gesteld.
Net als in Israël werden lepralijders door een priester onderzocht.
Na “roerende ceremoniën”, werden zij uitgeleid uit de samenleving naar de voor hen bestemde hutten.
Daar aangekomen werd hun gezegd: “Sis mortuus mundo, iterum vivens Deo”.
“Zij waren als gestorven voor de wereld doch leefden nog voor God”.
Reeds vroeg echter kwamen in Duitsland, Frankrijk en België melaatsenhuizen tot stand.
Zo verschenen er in de 14de eeuw ook overal buiten de steden in Nederland leprozerieën.
Vermoedelijk is toen ook de leprozerie in Ootmarsum ontstaan.

Commanderie

Tijdens de kruistochten is er een drietal ridderorden opgericht, die zich tot doel stelden, zieke en gewonde kruisvaarders te verplegen.
Een van deze ridderorden (hospitaalridders genoemd) had ook in Ootmarsum een commanderij.
Het was de Duitse Orde, ook wel Marianen genoemd.
Deze commanderij was gewijd aan St. Joris, die ook gold als beschermheilige van de leprozerieën.
Of de ridders zich ook met de Ootmarsumse leprozerie hebben ingelaten is niet bekend.
In: “Twentse Gezondheidszorg in stroomversnelling” (Jaarboek Twente 1984), is uit een artikel over de Commanderie te Ootmarsum van B.H.A.M. Plegt geciteerd (Jaarboek Twente 1968) en op grond waarvan Dr. H. Reijders vermoedt, dat Ootmarsum weleens de oudste gelegaliseerde zorg voor zieken zou hebben gehad.
De ridders van de Duitse Orde, hadden als doel ziekenverpleging.
Het artikel van Plegt vermeldt ook, dat de commanderij in 1140 gesticht zou zijn. Dit gebeurde echter 100 jaar later in 1240.
Meestal werden de melaatsenhuizen gesticht door het stadsbestuur, doch wanneer daarin een kapel moest komen, had men toestemming nodig van de pastoor van de parochie.
Daaraan kon dan een priester, al of niet in vaste dienst, worden verbonden.
In Ootmarsum was wel een kapel in de leprozerie aanwezig, doch over dienstdoende priesters is niets bekend.
Door landbouw kon men grotendeels in eigen onderhoud voorzien, maar men mocht ook door collecteren de inkomsten vergroten.
De collectanten moesten een klepper bij zich hebben.
Tot zover de aanhalingen uit het artikel van F.K. van Ommen Kloeke.
Behalve melaatsheid waren er in de middeleeuwen en ook vaak daarna andere epidemieën zoals de pest, die in onze omgeving voorkwam in 1458, 1468, 1483 en 1488 en die zelfs in 1606 in Ootmarsum nog heerste.
Deze pestlijders moesten ook buiten de stad worden verpleegd.
In Ootmarsum was geen pesthuis en mogelijk werd de leprozerie daarvoor gebruikt.
Of dit inderdaad zo was, is niet bekend.

Gasthuizen

Gedurende de middeleeuwen waren er ook andere instellingen, die de gezondheidszorg ten goede kwamen.
Zij waren echter niet uitsluitend daarop gericht.
Men noemde ze gasthuizen, of ook wel hospitalen.
Men moet hieronder niet een echt ziekenhuis verstaan, maar inrichtingen, die onderdak boden aan daklozen en zwervers.
Indirect was zo’n gasthuis dus wel belangrijk voor de gezondheidszorg.
In het Oud Archief Ootmarsum, vindt men onder de inventarisnummers 453 en 454, de stichting van een gasthuis vermeld, in het jaar 1398.
Gherd van Quendorp en zijn vrouw Trude schenken in dat jaar aan de stad hun erve, huis, spiker en gaarden, gelegen in de stad, tussen het huis van bakker Lubbert en dat van Johan Poppinc; “tho behoef aermer lude in tho wonene en in tho herberghene.”
In datzelfde jaar, huurde het echtpaar van Quendorp van de stad de goederen, die het aan haar had geschonken en zo werd Gherd van Quendorp de eerste gasthuisprior.
Volgens pastoor Geerdink werden in 1398 reeds 4 personen opgenomen, die “ghedelieck” zijn, d.w.z. bij elkaar passend.
Zoals in de middeleeuwen gebruikelijk, was er een nauwe band tussen het stadsbestuur en het kerkelijk gezag.
Zo verleende bisschop Frederik van Blankenheim in 1422 een aflaat van 40 dagen aan allen, die het gasthuis in Ootmarsum financieel of anderszins steunden.
In 1444 stond de toenmalige pastoor van Ootmarsum, Wijnandus van Twicklo, aan schepenen en raad van Ootmarsum toe, om in het “hospitaal” enige missen te zingen of te vieren.
Een geschikte priester hiervoor, werd door de schepenen aangewezen.
Bisschop Rudolph van Diepholt verleende toestemming om in het hospitaal een kapel in te richten, indien men daartoe in staat was.
Dit gebeurde en de eerste daarin dienstdoende priester was Jacopinchoff.
Het altaar in de kapel werd evenals dat van de leprozerie in 1494 ingewijd.
Tijdens de reformatie werd er in de kapel geen dienst meer gedaan.
Het gasthuis zelf bleef wel bestaan.
In 1743 werd het gehuurd door een zekere Gerrit Loohuis.⁵
In 1863 werd het verkocht aan G.J. Teusse.
Het werd “de priory, een huis van acht gebinten” genoemd.
Op een plattegrond van de stad Ootmarsum in 1829 staat de plaats van het gasthuis onder No.710 aangegeven (zie volgende pagina).
Het ligt aan de straat, die nu nog Gasthuisstraat heet.
In het Oud Archief Ootmarsum wordt in No.455 de plaats omschreven als “gelegen binnen de stad op des stades gravene, geheten tegen de Eijnde” (1409).
Op de reeds eerder genoemde plattegrond van Ootmarsum van Jacobus van Deventer is ook het torentje van het gasthuis zichtbaar.
Het gasthuis was toegewijd aan de Heilige Geest.

Plaats Gasthuis
Op perceel 710 heeft het Gasthuis gestaan

Behalve de voorzieningen ten behoeve van de leprozen en de daklozen hielden zich in die tijd en ook in latere tijden dokters en chirurgijns bezig met de zorg voor de gezondheid.
In een artikel van Dr. H. Reijnders in het jaarboek Twente 1984, schrijft deze, dat de geneeskunde in Nederland een korte historie heeft.⁶
In 1425 was weliswaar aan de universiteit van Leuven de eerste medische faculteit in de Zuidelijke Nederlanden van start gegaan, in Leiden daarentegen begon men pas in 1575.
Hij zegt in zijn artikel, dat het aantal medici in Nederland tot 1800 zeer gering was en zeker was dit het geval op het platteland.

Dokters

De eerste Twentse medicus, die bekend is, was een joodse dokter Marcus Pool, die zich in 1730 te Hengelo vestigde.
Een naam om te onthouden, want in het dagboek van Joan Georg Dröghorn wordt door hem vermeld, dat op 17 april 1786 te Ootmarsum de joodse arts Samuel Pool stierf.
Hij werd onder grote belangstelling op de “Cotten” begraven.⁷
In de tijd, dat hij daar praktiseerde, waren er opvallend veel joodse artsen en er waren zelfs doktersdynastieën.
Familieverwantschap tussen Marcus Pool te Hengelo en dokter Samuel Pool te Ootmarsum lijkt voor de hand liggend, omdat de oudste zoon van Marcus Pool, die 10 kinderen had, Samuel heet.
Diens jongste broer Nathan werd chirurgijn-vroedmeester te Hengelo.⁸
Tegelijkertijd woont in Ootmarsum ook dokter Albert Loesink-Meijer, medicinae dokter.
Hij komt voor op een lijst van rectoren, conrectoren en praeceptoren van de Latijnse school te Oldenzaal in het jaar 1774 als tweede receptor.⁹
Volgens de lijst komt de man uit Ootmarsum.
Bij onderzoek in het Oud Archief Ootmarsum, blijkt de samenstelling van zijn gezin te zijn:

– Albert Loësink-Meijer.
– Gehuwd met Alberdina Olderop. (Trouwdatum is niet bekend).
– 1765 Aaltjen.
– 1766 Jan Willem.
– 1768 Martha Alberdina.
– 1769 Albertus.
– 1772 Anna Clasina.

Niet gebleken is, dat de “doctor medicinae” ook te Ootmarsum gepractiseerd heeft.
Een andere in Ootmarsum praktiserende arts was Dr. Schöningh.
Hij wordt genoemd door pastoor Geerdink als Dr. Schöningh, die in 1795 de uit Frankrijk gevluchte en te Nordhorn wonende priester Petit, behandelde.¹⁰
Zijn naam komt ook voor in de jaren 1778 en 1785.
Hij werkte kennelijk toen al in Ootmarsum, dus al voor dokter Samuel Pool stierf.

Chirurgijns

Wat de te Ootmarsum werkzame chirurgijns betreft gaan wij te rade bij Snuif, apotheker te Enschede.¹¹
Deze beschikte over een dagboek van de chirurgijn Adolph de Meijer, die te Goor praktiseerde van 1663 tot 1698.
Snuif probeerde de opleiding van de Meijer te achterhalen, doch slaagde daarin niet.
Niettemin concludeerde hij, dat de Meijer, gezien zijn taalgebruik en zijn medische handelingen een gedegen opleiding had gehad.
De Meijer had een neef, genaamd Holst, die hij tot chirurgijn had opgeleid, en die daarna te Ootmarsum als zodanig werkzaam was.
Adolph de Meijer was de zoon van de Goorse hofmeier, die als zodanig te maken had met de hofmeier van de hoofdhof te Ootmarsum.
Wij mogen aannemen dat Holst, die in het laatste kwart van de 17e eeuw hier ter plaatse werkte, een degelijke opleiding heeft gehad.
Twee andere te Ootmarsum werkzame chirurgijns vinden wij vermeld in het Oud Archief Ootmarsum.¹²
Zo certificeren Schepenen en Raad van Ootmarsum, dat de “operateur” Johan Jacob Walthman in Oktober 1792 enige dagen in Ootmarsum logeerde en daar “zijn kunst” geëxerceerd heeft, zonder dat dit aanleiding gaf tot klachten.
Het betreft hier vermoedelijk een rondtrekkende chirurgijn.
In 1810 certificeert de Magistraat van Ootmarsum, dat de heer Bartholomeus van Kersbergen, burger van Ootmarsum, door de “Departementaale Commissie van Geneeskundig onderzoek en toevoorzicht van Overijssel, is geadmitteerd voor de Heelkunde ten plattelande te mogen exerceren ’t welk meer betekend, als eenvoudig de Heelkunde uit te oefenen.”
De man blijkt reeds meer dan 40 jaren gepractiseerd te hebben. Hij is in 1810 reeds 63 jaar en zijn diploma is gedateerd op 7 juli 1805.¹³
In 1804 werd de eerste wettelijke grondslag gelegd voor de landelijke gezondheidszorg door de instelling van departementale commissies. Dat was nodig omdat de chirurgijngilden waren opgeheven.
De commissies werkten tot in 1865 en toen kwamen de geneeskundige wetten tot stand.
De commissies hadden tot taak:

– Toezicht op geneeskundigen en apotheken.
– Bestrijding van kwakzalverij.
– Afnemen van examens aan vroedvrouwen en chirurgijns.

Op de lijst van inwoners van Ootmarsum uit het jaar 1829 blijkt, dat hier de vroedman Ferdinand Rummelte werkzaam was.
Hij zal waarschijnlijk ook wel geëxamineerd zijn door de commissie.

Tot slot:
Om enig inzicht te krijgen in de werkzaamheden van de chirurgijns, onderstaand staatje.
Voor wat betreft de door hen gebruikte medicijnen werd ons hulp geboden door de apotheker A. Scheper.

Veel voorkomende ongevallen waren:
– “Van de hiel” vallen.
– Glaswonden.
– Oogletsels.
– Trap van een paard.
– Ongelukken met wagens.
– Door vechtpartijen veroorzaakte letsels.
– Jachtongevallen.

Enige ziektes en de daartegen aangewende geneesmiddelen waren:

Ziektes Geneesmiddelen
Kinderpokken en mazelen. Tinctuur van saffraan.
Spruw (monduitslag bij zuigelingen) Hiertegen kreeg de zuigeling geen medicijn, maar de moeder kruiden op wijn.
Difterie of angina (Kwade hals). Gorgelwater.
Typhus of brandziekte. Een zweetdrank, zodra de koorts opkwam.
Benauwdheid. Een cordiaal (Hartmiddel).
Scheurbuik. Elixer proprietatis. (Een tinctuur van Myrrha en Saffraan).
Lues (Geslachtsziekte). Afkooksel van Radix sarsaparilla.
Kortademigheid. Balsamum Locatelli (Lorken terpentijnzalf).
Pleuris. Aderlating en warm verband.
Melaatsheid. Afkooksel van sarsaparillawortel en uitwendige zalf.

De betalingen aan de chirurgijns bestonden vaak uit naturalia zoals rogge, boekweit, vlas, kippen, turf, schelvis, stenen en pannen.
Soms moesten de patiënten hun paarden ter beschikking stellen.
Armen werden vaak om “godswil” geholpen en bij verwondingen tengevolge van vechtpartijen werden de kosten verdeeld over de daders en slachtoffers.

Werkgroep geschiedenis 2

Voetnoten

  1. J. Geerdink: Eenige Bijdragen tot de Geschiedenis van het Archidiaconaat en Aartspriesterschap Twente, pag. 279.

  2. Oud Archief Ootmarsum, Inv. No. 230.

  3. Drs. A.L. Hulshoff: Wijding van de kerken en altaren in de parochie Ootmarsum in het jaar 1494.

  4. F.K. van Ommen Kloeke: Hospitael der Maellateschen, geheten Ten Hilligen Cruse buten Voerster Poerten te Zwolle. Verslagen en mededelingen der Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 1910.

  5. C.J. Snuif: Verzamelde bijdragen tot de geschiedenis van Twenthe, pag. 310 en 311.

  6. Dr. H. Reijnders: Twentse gezondheidszorg in stroomversnelling, Jaarboek Twente 1984.

  7. Dagboek van Johan Georg Dröghorn.

  8. Het testament van Marcus Pool door Dr. H. Reijnders, gepubliceerd in Oald Hengel, tijdschrift van de Stichting Oald Hengel, 14e jaargang, No. 2, april 1989.

  9. G.J.M. Bartelink: De Latijnse School Oldenzaal. Verslagen en mededelingen der Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis 1963, pag. 68.

  10. J. Geerdink: Eenige Bijdragen tot de Geschiedenis van het Archidiaconaat en Aartspriesterschap Twente, pag. 271.

  11. G.J. Snuif: Verzamelde bijdragen tot de Geschiedenis van Twente, pag. 310 en 311.

  12. Oud Archief Ootmarsum, Inv. No. 235 en 236.

  13. Rondom 5 eeuwen gezondheidszorg: Brochure ter gelegenheid van een expositie in het Textielmuseum te Enschede.

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1990, pagina 16: Gezondheidszorg in vroeger tijd in Ootmarsum

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.

Ga naar de inhoudsopgave van 1990 →
Gezondheidszorg in vroeger tijd in Ootmarsum
2026-10-24 03:32:51