Kroniek van ’t Molenhuisje

Voor de stichting “Heemkunde Ootmarsum en Omstreken” was het een historisch en plezierig moment, toen het Molenhuisje als eigen onderkomen in het voorjaar van 1990 betrokken kon worden.
Het voormalige muldershuis (woonhuis van de watermolenaar), laatste restant van het Huis Ootmarsum en de Commanderie van de Duitse Orde had hiermede weer een nieuwe bewoning en een kultuur-historische bestemming gekregen!
Reden genoeg om de geschiedenis van dit eeuwenoude bouwwerkje na te gaan en op schrift te stellen.
Het huidige aanzicht van ’t Molenhuisje, is eerst in 1968 na grondige restauratie door de toenmalige aannemer, de heer Bernard Geerdink (1900-1995) tot stand gekomen. Opdrachtgever was de gemeente Ootmarsum.(1)
Zij had in 1959 het huisje van de Hervormde Gemeente Ootmarsum gekocht voor f. 7080,-.
Bij de toenmalige stadsuitbreiding werd de omgeving van het gebouwtje opgehoogd en bleef het zelf op het oorspronkelijke maaiveld niveau liggen.
De Hervormde Gemeente was in 1928 door een legaat van Mejuffrouw Guillemette Joanette Palthe (1863-1928) uit Oldenzaal, in het bezit gekomen van het Molenhuisje en omliggende gronden. Het gehele legaat werd door de Hervormde Gemeente ondergebracht in het zgn. Palthegoed.
Bij de verkoop van het goederenbezit van het Huis Ootmarsum in 1811 waren de watermolens en het molenhuis in het bezit gekomen van Ds. Johannes Palthe (1767-1854) uit Oldenzaal en de procureur Andreas Goossens.(2)
In 1833 werd Ds. Palthe voor een som van F. 3500,- alleen eigenaar van het muldershuis met de twee watermolens en de gronden.
Hoe ’t Molenhuisje er voor de renovering in 1968 uitzag, kunnen we zien op de hierbij afgebeelde potloodtekening van Gerard van Haeften (1895-1951). Aan de zijkant is het vakwerk (muren uit een houten geraamte van posten en regels, die vierkante vakken vormen) duidelijk te zien, terwijl zich aan de voorkant twee kamers bevinden met een deur in het midden.(3)

Aan de achterzijde bevond zich een schuur met aflopend dak. Bij de restauratie in 1968 is deze schuur afgebroken.
De watermolen, al veel eerder afgebroken (ca. 1869), was dwars op het huis gebouwd, gedeeltelijk daar, waar nu het schuurtje in 1968 (spieker) gebouwd is, maar liep door tot aan de huidige beek. Destijds was deze waterloop breder en dieper dan nu.
Het was dan ook een beduidend groter gebouw, waarin het gehele maalwerk (maalstenen en maalkast) was ondergebracht om als korenmolen dienst te kunnen doen.
Een inwoner van Enschede is in het bezit van een olieverfschilderij (beschadigd helaas), waarschijnlijk van de schilder Gerhardus Meijer (1816-1875) waarop ’t Molenhuis met de watermolen, in zijn geheel is weergegeven in romantische stijl. Het schilderij zou in de eerste helft van de 19e eeuw geschilderd kunnen zijn.(4)
Te zien is een deel van wat nu het Oldenzaalsevoetpad is, een brugje met de wateraanvoer voor het bovenslagrad en het pad langs de beek, zoals nu het wegje loopt naar de voormalige boerderij Wientjes.
De watermolen is ca. 1869 na een storm afgebroken; enkele jaren daarvoor was hij al min of meer buiten gebruik gesteld en in verwaarloosde toestand geraakt.
Over bleef slechts het molenhuis of muldershuis.
Het muldershuis met watermolen werd meestal “de Voorste molen” genoemd, daar er aan de Alleeweg nog een tweede watermolen van het Huis Ootmarsum lag, echter zonder woonhuis. Deze werd de St. Joannesmolen genoemd. Beide molens waren korenmolens.
W. Staring beschrijft in zijn boek “De Overijsselse Wateren” van 1848 op blz. 358 het beekje, dat ten Westen van Ootmarsum ontspringt, langs de Almeloose (nu Oldenzaalse straat) weg stroomt, de grachten van Ootmarsum vult, maar ook hooilanden boven en beneden de stad bevloeit. Later drijft de beek een watermolen aan, die met een bovenslagrad (het water viel via een goot bovenop het rad) van 2.8 el middellijn werkt, om verderop via een vijver of kom ook de tweede watermolen aan te drijven.(5)
In een te Ootmarsum getekende akte van 12 mei 1603 werd een verdrag gesloten tussen de Commandeur van het Duitse Huis (de Commanderie) en de Hofmeijer in verband met een geschil over het bevloeien van de Sellenkamp.(6)
Hierin wordt de watermolen van de Commandeur genoemd, terwijl de tekst van de acte ook verwijst naar een oudere “besegelte brieff” van het jaar 1450, waarin tussen de Commandeur en de stad Ootmarsum afspraken over de watertoevoer voor de grachten van Ootmarsum en de watermolen van de Commandeur geregeld werden.(7) Zoals in die tijd gewoon was, had de Commanderie als kloostervestiging van de Ridders van de Duitse Orde veel eigen bezit met een gesloten economische huishouding. Anders gezegd, het gehele complex verzorgde zich zelf.
Een molenaar in dienst van de Commanderie had de zorg voor de korenwatermolens, waar het koren van de aan de Commanderie horige boeren gemalen werd.(8)
Een bepaald deel hiervan moest aan de Commanderie afgedragen worden. Nog eerder in de historie, zo mogen wij aannemen, zullen er afspraken gemaakt zijn over de toevoer van water uit de beken, die van de Kuiperberg richting Wiemselbeek stroomden, voor vulling van de stadsgrachten en het laten draaien van het waterrad van de voorste molen.
Op de kaart van Jacob van Deventer uit 1560 zien wij een tweetal beken (waaronder “de Vinkenbekke”) die uitmondden in een groot reservoir, van waaruit de grachten gevoed werden, de toevoer voor de voorste molen en de grachten van de Commanderie.(9)
Dat er omstreeks 1207 al watermolens bij Ootmarsum waren, is bekend uit een schenkingsacte van bisschop Godfried van Utrecht waarbij de kerk van Ootmarsum, wateren en molens geschonken werden aan het klooster in Weerselo.(10)
Het eerste schriftelijke bericht ten aanzien van de watermolen van de Commanderie, is overigens tot op heden, uit het bovengenoemde jaar 1450. Eerdere berichten ontbreken.
De bewoner van het muldershuis of molenhuis was de watermulder of molenaar. Hij had de zorg voor het malen, het regelen van de watertoevoer en het toepassen van de voorschriften en regels zoals deze waren vastgesteld door de Commandeur en later na 1635 door de Heer van het Huis Ootmarsum.(11)
Zoals uit latere berichten opgemaakt mag worden, kan ervan worden uitgegaan, dat de molenaar van de voorste watermolen ook de zorg voor de St. Joannesmolen had.
Deze molen, ook met een bovenslagrad, had zover wij weten geen molenhuis.(12)
Wie de verschillende molenaars voor 1757 waren en hoe zij heetten, is zover wij weten, niet bekend.
In een acte, getekend te Ootmarsum door Frederik Joan Sigismund van Heiden, Drost van Twenthe op 1 mei 1757, wordt aan Jan Larink verhuurd: “de beijde Water Meulens des Huijses Ootmarsum, in twee Koorn Meulens, eende een Olij Meulen bijstaande enz”.(13/14)
Verder lezen wij, dat Larink de molens op zijn kosten moet onderhouden, terwijl het hout voor eventuele reparatie door de Heer wordt geleverd. Het gereedschap wat hem bij de verhuur geleverd wordt, dient bij beeindiging van de huur weer te worden teruggegeven, terwijl ook de molens in dezelfde staat moeten worden opgeleverd.
Regelmatig zal Larink ook water moeten afstaan voor bijvulling en doorstroming van de grachten en visvijvers van het Huis.
Indien bij stortregens dijken zouden doorbreken, dan moet Larink maatregelen nemen.
In de acte claimt de Heer van Ootmarsum ook, dat Larink voor hem wagendiensten en andere diensten heeft te verrichten.
Deze wagendiensten moeten trouwens ook door enkele andere pachters, zoals Vinkeboer op Klein Steveling verricht worden.
De huur of pacht is vastgesteld op 180 Caroli-guldens, te betalen per jaar in vier termijnen.
In goederen daarnaast 24 hoenders en 50 eieren.
Tenslotte wordt Larink opgedragen toezicht te houden op de visvijvers ter voorkoming van het stelen van vis.
Mogelijke daders moet hij aanhouden of hun namen melden bij de Heer. Het niet nakomen van bovengenoemde voorwaarden wordt bestraft met een dubbele huur (“bij poene van dubbele huur”) of nog erger met onmiddellijke huuropzegging.
Enige jaren later wordt Jan Larink genoemd in een bewaard gebleven register van het Huis Ootmarsum van het jaar 1770, waarin beschreven staat, dat hij op 23 februari 1763 enkele percelen aangekocht heeft, met toestemming om daar een gruttenmolen te mogen aanleggen.(16)
Omstreeks 1773, zo vermeldt een acte dd. 1 maart 1773,(17) wordt aan Jan Larink en zijn vrouw Janna Luijksen door de Heer van Ootmarsum verhuurd het nieuwe huis bij de oliemolen voor 63 Caroli-guldens. Deze behuizinge “is vast en g’enclaveert aan de bovenste korenmolen ende olijmolen”.(18)
Den volgenden molenaar, omstreeks 1850, is molenaar Evert Rosman (1814-1870).
De watermolens en het molenhuis waren inmiddels na de grote uitverkoop van de goederen van het Huis Ootmarsum in 1811 gekocht door Ds. Palthe.
Evert Rosman, was getrouwd met Johanna Nieuwenhuis (1822-1899). Omstreeks 1862 (red.: 1865) is hij met zijn gezin naar Rijssen vertrokken.
Hierna werd molenaar Gerrit Jurrien Betman (1821-1914).
Zijn eerste vrouw Amalia Adelheida Wilhelmina Johanna Brinkhoff (1841-1872), overleed op 28.11.1872.
Zijn tweede vrouw was Johanna Nijhof (1841-1925). Zowel van de molenaar als van zijn vrouw zijn portretten bewaard gebleven.(19)
Betman was maar een kort aantal jaren als watermolenaar werkzaam. Waarschijnlijk loonde het niet meer de watermolen in bedrijf te houden, toen in 1867 de windmolen van Oude Hengel gebouwd werd.
In 1874 vermeldt Betman als zijn beroep, bleeker.
Uit enkele interviews, die wij in 1971/72 met kleinkinderen van molenaar Betman hadden, werd vernomen, dat de watermolen tijdens een storm met veel lawaai in elkaar gezakt was, tot grote schrik van de bewoners.
Een molensteen bleef als herinnering aan de voorkant van het huisje als stoepsteen bewaard.
De voormalige molenkolk was tamelijk diep, daarnaast lag het grasveld, in gebruik als bleekveld. Aan de stadszijde van het huisje lag drassig grasland, terwijl achter het huisje de moestuin of hof lag.
De indeling van het huisje was anders dan nu. Alleen de opkamer is ongeveer gelijk gebleven, waarin twee zgn. hemelbedden met linnen voorhang stonden.
De welput in de kelder stond meestal tot aan de rand met water. Dit kon echter niet als drinkwater gebruikt worden, wat uit de bergput in de stad gehaald moest worden.
Het gangetje vanaf de voordeur kwam uit op een kleine deel, waar ook hooi opgetast was.
Een ander gedeelte van deze ruimte werd gebruikt als keuken, waarin een fornuis-kachel stond, die gestookt werd met takkenbossen.
Aan de achterzijde van het huis was een schuur, waarin twee koeien gehouden werden en een geit.
Het wegje langs ’t Molenhuisje was begroeid met “pompoenblad” (= groot hoefblad). Dit groeide ook in grote getale langs de beek.
Op 26.01.1914 overlijdt Betman op 92-jarige leeftijd. Aangifte doet dan veldwachter Gerrit Jan Bouwhuis (1862-1936), 51 jr en Johannes Hendrikus van Benthem (1869-1944) 34 jr. en bakker van beroep.
Bouwhuis was kostganger van Betman.
Na zijn overlijden, blijft zijn vrouw nog een aantal jaren wassen en bleken o.a. voor de dames Palthe uit Oldenzaal. Elke week werd er een grote mand met wasgoed van hen gebracht.
Omstreeks 1920 vertrekt “vrouw” Betman naar Hengelo naar één van haar kinderen, waar zij tot haar dood bij inwoonde.
Nieuwe bewoner van het Molenhuisje werd Hendrikus Johannes Kooken (1879-1944). Hij was van beroep schilder.
Als “Mejuffrouw” G.J. Palthe in 1928 in haar testament ’t Molenhuisje en bijliggende gronden vermaakt aan de Hervormde Gemeente Ootmarsum, wordt er in het testament bepaald, dat Kooken het door hem bewoonde Molenhuisje zolang hij leeft voor dezelfde huurprijs mag blijven bewonen, daarna zijn vrouw en ook zijn enige zoon. Het huisje is in 1929 verzekerd voor F. 3000,-.
De staat waarin het huisje bij overdracht verkeert, is vrij slecht.
Er moet nieuwe bedakking van het dak komen en er is ook lekkage.
Een rij wilgen bij het huisje wordt in 1929 gekapt.
Na het vertrek van H.J. Kooken werd het huisje nog een aantal jaren bewoond door Henk Koops (1928-1987).
Voordat het huisje in 1967/1968 gerestaureerd werd, was het een dicht getimmerde onbewoonbaar verklaarde woning.
Na de renovatie, waarbij het voor een deel opnieuw werd opgetrokken, werd het huisje tot 1980 bewoond door ondergetekende en familie met een potterie en door de heer B. de Wit van het Stenenmuseum bij het Los Hoes.
Hierna in 1990, stelde de gemeente Ootmarsum ’t Molenhuisje, zoals wij in het begin schreven, ter beschikking van de Stichting Heemkunde.
Het Molenhuisje met haar, zoals wij toch wel mogen zeggen, boeiend verleden, heeft hiermede een uitstekende bestemming gekregen.
Ootmarsum, Louwmaand 1992
Henk Eweg
- Besproken in verg.gen.raad O’sum okt. 1967.
- Andreas Goossens was vrederechter in Ootmarsum.
- Zie “Watermolens” onder redactie van Hagen en Elling, Oldenzaal 1991.
- Meer werk van hem is te zien in Prov.Museum Zwolle.
- el = oude lengte-eenheid: 0.688 m.
- Copy van akte aanwezig in archief Oudheidkamer Twente, Enschede.
- Over deze brief is verder niets bekend.
- Zie C.J. Snuif, blz. 354 van “Verzamelde bijdragen tot de geschiedenis van Twenthe”, Hengelo/Schiedam 1975.
- De grachten werden omstreeks de 14e en 15e eeuw gegraven. Zie Formsma, Oud-Archief Ootmarsum, Assen 1942.
- Zie Archief van Rhenen in Rijksarchief Arnhem, Nr. 113-240.
- Zie voor de geschiedenis van het huis Ootmarsum: Eweg en Morshuis, “Riddergebroeders, Horigen en Heren”, Ootmarsum 1991, uitgave Stichting Heemkunde.
- Zie “de Overijssels Wateren” Staring 1848, Uitg. Stieltjes.
- Acten aanwezig in archief Oldenzaalsche Oudheidkamer, nr. OK 287.
- Oliemolen – molen voor het pletten van lijn- en raapzaad.
- De Caroli-gulden stamt uit de tijd van Karel V, ingevoerd in 1521 met een waarde van 20 stuivers.
- Zie register Huis Ootmarsum 1770 in archief Oudheidskamer Twenthe in Enschede, nr. SomC23.
- Aanwezig in archief Oudheidkamer Oldenzaal, nr. OK287.
- Enclaveren van het latijnse inclavare = insluiten. Verg.enclave.
- Aanwezig in foto-verzameling van St. Heemkunde, O’sum.

