Vloeiweidensystemen rondom Ootmarsum
In het vroegere landbouwsysteem, het zogenaamde potstalsysteem, speelde de beschikbaarheid van mest een sleutelrol. Het was zaak zoveel mogelijk mest te produceren voor de bemesting van de akkers. De schaarste daarvan maakte inventief. Er werd op allerlei manieren getracht de productie zo hoog mogelijk te krijgen. Eén manier was gebruik te maken van de bemestende werking van het beekwater. Deze bemesting vond van nature al plaats door de overstromingen in de winterperiode, maar daarnaast liet men ook water op een kunstmatige wijze over de graslanden lopen door middel van irrigatiesystemen: de zogenaamde vloeiweidesystemen.
Voordelen van bevloeiing van graslanden
- De bemestende werking van het slib dat afgezet wordt. In dat water dat over het grasland stroomde zaten slibdeeltjes.
- De oxiderende werking. Stromend water voert zuurstof mee en geeft dat af aan grond en planten.
- Het oplossend vermogen. IJzerhoudende lagen of organische stoffen worden langzaam door het water opgelost en weggespoeld.
- Bevochtiging. In perioden van droogte.
- De isolerende werking. In de herfst beschermt het de grond tegen vorst en warmte-uitstraling, in het voorjaar tegen de nadelige gevolgen van de nachtvorsten.
- Het drainerend effect. Door de drainerende werking van het hellende vlak en/of greppelsysteem wordt stagnerend water afgevoerd.
In bevloeide percelen kon de hooiproductie wél 2 tot 3 maal zo hoog zijn als in een niet bevloeide situatie. Deze toename van de opbrengst had tot gevolg dat bijvoorbeeld pachters meer voor een te bevloeien grasland wilden betalen: Een bunder grasland die bevloeid kon worden werd verpacht voor ƒ 30,00 terwijl een bunder gewoon grasland voor ƒ 20,00 werd verpacht.
Onderstuwing
Er waren verschillende manieren van bevloeiing. Een van de eerste vormen was onderstuwing. Bij dit systeem wordt het kunstmatig onder water zetten van een graslandperceel verstaan. Daarvoor wordt het water opgestuwd door het afsluiten van de hoofdstroom door middel van een stuw of dam (figuur 1). Vervolgens wordt het water met een slootje op het hoogste punt ingelaten en op een door wallen omringd grasland gebracht totdat het perceel met een waterlaag van 20 tot 30 cm ‘gevuld’ is. Als de grond vochtig genoeg is en het slibrijke materiaal afgezet is wordt het water via het laagste punt van het graslandperceel naar een aangrenzend grasland of terug naar de beek geleid.

Z = wateraanvoer, e = sluis, I, II, III = Vloeiweide, g = afvoersloot, d = wal, a = beek.
Stuwbevloeiing
Bij een stuwbevloeiing, wordt het graslandperceel, in tegenstelling tot onderstuwen, niet geheel onder water gezet, maar laat men water van de hogere naar de lagere delen stromen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er een helling in het perceel aanwezig is. In het figuur 2 wordt een schets gegeven van de werking van dit systeem. De beek werd afgedamd, waarna het water via een aanvoerkanaal langs de dalflank werd opgeleid. Als het water voldoende hoog was opgeleid werd het over de aanliggende vloeiweide gevoerd en opgevangen in de zogenoemde laak (het afvoerkanaal) die het water weer in de hoofdstroom leidde waarna het opnieuw voor bevloeiing kon worden gebruikt.
Dat afdammen geschiedde door middel van een schut, vloeiboom of een dam van heide- of grasplaggen. De bevloeiingsperiode duurde van september tot in het vroege voorjaar: “Van de Uelsener kermis tot Vastenavond”. Daarnaast kon er bevloeid worden in de zomerperiode na de eerste (gras)oogst.

Z = wateraanvoer, F = Vloeiweide.
Voorbeelden van bevloeiingen
Bij de Bekkescheid (beekscheiding, stuw), noordelijk van Vasse, lag een vloeiboom die de waterafgifte voor de boeren uit de Soekerhook en die uit de Veelthook en Dorpshook regelde. Het water werd door alle stroomafwaarts wonende en gerechtigde boeren gebruikt voor bevloeiing: De Meijer 3x 24 uren en alle andere boeren 1x 24 uren en dan was De Meijer weer aan de beurt.
Nu was het zo dat deze vloeiboom aan vervanging toe was. Met toestemming van de Markenrichter werd een boom uit de markebossen gehaald en op maat gemaakt. Toen de boom echter geplaatst moest worden, waren alle betrokken boeren aanwezig en konden het niet eens worden over de plaats. Het kwam nog net niet tot een handgemeen maar de pesterijen gingen over en weer. Zo hadden de boeren uit de Veelthook een dam bij de vloeiboom opgeworpen om al het water naar zich toe te laten stromen. Maar men was nog niet thuis of iemand uit de Soekerhook stak deze dam weer door om een nieuwe op te werpen, zodat het water weer naar de Soekerhook werd geleid.
Naast de geschillen tussen boeren onderling moeten ook meningsverschillen met een andere groep watergebruikers worden genoemd: de mulders van de watermolens. Er bestond tussen mulders en boeren een soort haat/liefdesverhouding: een reden waarom de vloeiweiden in de literatuur vooral bekend zijn in relatie tot watermolens. Bovenstrooms van de molen was het zaak voor de mulder zo weinig mogelijk water door anderen te laten aftappen, terwijl het water benedenstrooms juist goed moest doorstromen. In akten werd het watergebruik tussen mulders onderling en tussen mulders en boeren vastgelegd. In een akte uit 1792 werd bijvoorbeeld het watergebruik in Mander door de papiermolens van Cramer en de Manderboeren nauwkeurig geregeld. Zo wordt opgetekend dat “Willem Cramer van ouds het regt heeft gehad van vijf dagen in de week zijnde Zondag, Maandag, Dingsdag, Woensdag en Donderdag met de beek van Den Paalberg komende mogen vloeijen op het land welke hij te gelijk met de Papiermole van Perisonius heeft gekogt. Willem Cuiper, Haselbekke en Bekman hebben te samen een mate welke van ouds her regt gehad heeft twee dagen in de week zijnde Vrijdag en Zaterdag met die selfde beek te mogen vloeijen”.
Een ander voorbeeld van een vloeiweidensysteem ligt noordelijk van Ootmarsum op het Springendal. In een verkoopakte uit 1886 wordt daarvan melding gemaakt (figuur 3). In die akte wordt voor elk perceel aangegeven of het bevloeid kan worden. Bij de publieke verkoop werd het Springendal aangeprezen als “de aangenaam gelegen en vruchtbare bezitting” (figuur 4).

Kunstmatige bevloeiing
Rond 1850 nam de vraag naar vlees- en zuivelproducten sterk toe vanuit de stedelijk-industriële gebieden. Om op de nieuwe marktsituatie in te spelen gingen steeds meer boeren vee, vlees en boter leveren voor de export. Dit had tot gevolg dat in de tweede helft van de negentiende eeuw de veeproductie in de bedrijfsvoering centraal kwam te staan, ten koste van de akkerbouwproductie.

Deze marktkansen stimuleerden de landbouw op verschillende manieren; een van de innovaties was de kunstmatige vloeiweide. Dit bevloeiingssysteem dat werd gestimuleerd door de grootgrondbezitters, was ingewikkelder, bewerkelijker en kapitaalintensiever dan de twee bovengenoemde traditionele bevloeiingssystemen. Bij een kunstmatige vloeiweide zijn de weidepercelen opgedeeld in ruggen van vijf tot twintig meter breed. Op iedere rug lag een aanvoergreppel, waardoor water werd aangevoerd dat regelmatig in een dunne laag naar beide zijden afstroomde (figuur 5). Daar werd het water verzameld in afvoersloten. Van deze vloeiweidensystemen is een aantal exemplaren aangelegd op heideontginningen in Zuid-Twente.

In Noord-Twente waren ook plannen voor bevloeiing ter grootte van 54 ha op een heideterrein noordelijk van het Kanaal Almelo-Nordhorn. Enige landbouwers (16 eigenaars in totaal) in de buurtschap Reutum hadden zich bereid verklaard proeven te nemen met bevloeien. Voor dit plan werden in 1895 omvangrijke waterpassingen gedaan noordelijk van het kanaal tussen sluis IV en V, op een “gewone heide die als plaggenveld dienst deed” om bij de aanleg zo weinig mogelijk zand te hoeven verzetten. Deze kunstmatige bevloeiing zou uit vier afdelingen bestaan, waardoor herhaaldelijk watergebruik mogelijk was. Het idee was dat er in de periode september tot begin mei (en af en toe in de zomermaanden) water uit het kanaal geleid werd (750 liter per seconde). Er werd juist voor deze plek gekozen omdat de wateraanvoer gewaarborgd was, maar ook omdat het verval hier relatief groot was (van 21,35 m +NAP naar 16,80 m +NAP). Totale kosten werden geraamd op ƒ 2840,00 plus ƒ 250,00 bijzondere kosten per ha, inclusief arbeidsloon.
Uiteindelijk werd dit plan niet uitgevoerd. Hiervoor was een aantal redenen aan te voeren. Een van de belangrijkste was de uitvinding van de kunstmest. Deze ontwikkeling vormde uiteindelijk de nekslag voor een wél heel uitgekiend systeem om “weide- en hooiland in kracht te houden en er goed voeder te telen”.
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 2004, pagina 39: Vloeiweidensystemen rondom OotmarsumDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 2004 →

