“Ik ben morgen niet thuis, maar ik zet wel een kan koffie klaar met een paar plakjes cake. Kom maar gerust. Jan is zondag 80 jaar geweest, maar hij kan nog volop vertellen”, zegt mevrouw Ali Florijn-Buurstra (1926-2007), als we een afspraak voor ’t Präötke willen maken.
Wanneer we de andere dag komen, zien we dat mevrouw Florijn woord heeft gehouden. Jan hoeft alleen maar “op ’t knöpke van ’t koffieapparaat” te drukken.
En natuurlijk werd ter inleiding uitgebreid verslag gedaan van het verjaardagsfeest van Jan. “Zeldzaam mooi”, zegt hij, duidelijk nagenietend en met voldoening terugblikkend, zoals alleen een wat oudere dat kan.
‘s Morgens waren de familieleden, de buren en enkele kennissen er. “Wie wadn d’r met noa ’n Mölnbarg hengoan. Genog te etn en te dreankn. Tot één uur.” Hierna bleven Jan en zijn familie achter. Er werd een koetstocht gemaakt die eindigde op de klootschietbaan. En dat klootschieten is een mooie sport om met elkaar in contact te komen, ontdekte Jan. Familieleden die elkaar in jaren niet hadden gezien, liepen pratend met elkaar op.
“D’r bint nen heeln hoap foto’s maakt en ok nen videofilm. Mear noe mör wie earst nen ni’jn videorecorder anschafn, want op den oaln van oons döt den ni’jn baand ‘t nich”, vertelt Jan. Die dingen verouderen. Dat is ook het geval met de draagbare telefoon die in het begin van ’t Präötke overgaat. Het lukte Jan niet om met “de aandere kaant” in contact te komen. Die “aandere kaant” probeert het nog eens en dan is er wel contact. “Het ding is ok a viefteen joar oald en was één van de eerste draagbare telefoons”, zegt Jan verontschuldigend. Of het daaraan heeft gelegen is niet bekend, maar het ding liet zich geen enkele keer meer horen die morgen.
Boerderijtje

Jan Florijn (1921-2003) werd op 1 juli 1921 geboren op de Kuiperberg waar zijn ouders aan het Tichelwerk een boerderijtje hadden. Ook de kleine uitspanning “Het Tichelwerk” werd door de vader van Jan beheerd. Die stond op de plaats waar nu de grote trap naar hotel De Wyllanderie is. Bij de uitspanning behoorde tevens een kleine speeltuin, zoals oude foto’s laten zien. In 1930 kocht Hagedoorn de heuvel en nam tevens de uitspanning over. Hagedoorn bouwde er de fraaie villa die later door de PTT werd overgenomen.

L. Florijn verhuisde met zijn gezin naar de overkant van de straat. Op het stuk grond dat zijn eigendom was, bouwde hij een fraai huis. Ook zette hij er een paar schuren neer. “Het huis was voor die tijd, het was in 1933, erg modern. Het uiterlijk was al vooruitstrevend, maar bovendien stond het los van de boerderij”, vertelt Jan.
Hij was het tweede kind in het gezin van Lodewijk en Johanna Florijn-Bolk. Zijn zus Riek was ruim 12 jaar ouder. “Ik ben niet naar de kleuterschool geweest. Die was er toen niet eens. Kleuters wedn in dee tied finaal vergeten.”, zegt Jan onder het inschenken van het eerste kopje koffie.

Hij ging naar de Openbare Lagere School die toen aan de Oostwal stond. “Maar die school werd in 1932 afgebroken en de laatste periode van mijn lagere schooltijd heb ik in Oud Ootmarsum op dat schooltje doorgebracht.”
In tegenstelling tot veel leeftijdgenoten kreeg Jan de gelegenheid door te leren. Hij ging daarvoor naar de MULO in Oldenzaal. Op de fiets, want dat deed iedereen in die tijd. “Maar ik heb de school daar niet af kunnen maken. Vader kon het werk op de boerderij niet goed aan en moeder kampte met hartklachten. Mijn zus Riek werkte toen al in Hengelo bij hotel ‘t Lansink.” Zo verklaart Jan het afbreken van zijn studie en zijn komst op de boerderij. Het was geen grote boerderij. L. Florijn had zo’n 12 koeien, een paar varkens en wat kippen. “Het boeren had nu niet bepaald mijn voorkeur, maar ik had geen keuze.”
“Ooit spijt van deze ommezwaai gehad?”
“Nee, dat niet. Ik kijk echt met voldoening op die periode terug, waarin ik mijn ouders heb kunnen helpen.”
Jan trouwde in 1943 met Siena Rademaker (1913-1976) uit Nutter en het echtpaar kreeg vier kinderen. Annie werd geboren in 1944, Leo in 1945, Diny in 1947 en Betsy in 1948.
Reeds bij de geboorte van het eerste kind was het de jonge vader al duidelijk geworden dat, zodra de boreling zich aankondigde, hij meteen op pad moest om de dokter te halen. “Bij de geboorte van Annie was de dokter snel naar ons huis gereden en toen ik terugkwam, zat mijn vrouw al rechtop in bed met de baby in haar armen”, lacht Jan.
In 1947 werd hun derde kind, dochter Diny geboren. Sientje Florijn gaf haar man een seintje en deze aarzelde geen moment. Hij pakte zijn fiets en reed zo snel mogelijk de berg af richting dokter Wortelboer.
“Ik reed veel te snel en ter hoogte van het huis van Veelers kwam ik ten val. Ik kwam heel ongelukkig terecht en om een lang verhaal kort te maken: ik kwam ermee in het ziekenhuis in Almelo terecht. Na tal van behandelingen kwamen de doktoren tot de conclusie dat er maar één oplossing was. Het kniegewricht moest stil worden gelegd: ik had vanaf dat moment een stijf been, om het maar populair te zeggen.” Met de behandelend specialist, dokter Hingst heeft Jan naderhand nog wel eens contact gehad.
Ruilverkaveling
Jan Florijn wist in feite niet hoe het verder moest; zijn handicap zou het werk op de boerderij er niet gemakkelijker op maken. Doch op zekere dag kwam dokter Hingst met diens vriend, een zekere Van Lidt. Deze werkte bij het kadaster in Almelo. Ze kwamen in gesprek en Van Lidt vertelde Jan van alles over de ruilverkaveling, die destijds net in de kinderschoenen stond.
Voor alle voorbereidende werkzaamheden waren mensen nodig en uit gesprekken die Van Lidt met dokter Hingst had gevoerd, was hem duidelijk geworden, dat Jan Florijn wel eens een belangrijke rol in die werkzaamheden zou kunnen spelen. Nadat hij had verteld, wat zoal van een nieuwe medewerker verlangd werd, besloot Van Lidt: “Ik zoek iemand die de streek kent, die met mensen weet om te gaan en die hun taal spreekt.” Ook moet hij zich kunnen inleven in de specifieke problemen van de boeren in deze regio. Jan Florijn, ik denk dat ik voor dat werk hier bij de juiste persoon zit.”
Natuurlijk werd er diep over nagedacht en thuis over gesproken, maar Jan besloot op het aanbod in te gaan. “Ik ging er in eerste instantie op de fiets op uit. Later kocht ik een motor. Tilligte, Lattrop, Breklenkamp. Daar moest de ruilverkaveling worden voorbereid. Het hele gebied moest in kaart worden gebracht. Ik moest de mogelijkheid van de aanleg van nieuwe wegen bekijken, waterlopen projecteren en moest vooral veel praten. De boeren uitleggen, waarom bepaalde besluiten genomen moesten worden. Daarbij stelde ik mij steeds op het standpunt, en dat wisten de boeren ook, dat ik weliswaar in dienst van de Ruilverkaveling was, maar dat ik in feite voor de boer werkte. Als er bijvoorbeeld in de buurt van een fraaie en belangrijke houtwal een nieuwe waterloop moest komen, dan projecteerde ik die waterloop vlak langs de houtwal. Daarmee bereikte ik twee doelen: de Ruilverkaveling had de waterloop en de boer behield zijn houtwal.”
Dat Florijn daarmee tevens typische facetten van het Twentse landschap spaarde, realiseerde hij zich wel, maar dat stond niet voorop.
Jacht
Zo tussendoor vertelt Jan, dat hij dat landschap ook als verwoed jager goed heeft leren kennen. “Maar eigenlijk is de liefhebberij voor de jacht al veel eerder gekomen. Ik was nog maar een jongen, toen wij al een vuurbuks en een windbuks thuis hadden. Ik leerde daar al vroeg mee schieten.” Of zijn vader dat wel goed vond? “Den deu’t zölf ok völ te gearn, dus den zèè d’r nich völ van.”
Het ging natuurlijk wel stiekem. Het mocht officieel niet, maar Jan wist menige haas neer te leggen. Natuurlijk kon dat niet geheim blijven en op zekere ochtend kwamen enkele marechaussees te paard naar de boerderij van Florijn en doorzochten daar alles. Zonder resultaat overigens.
Later vroeg Jan de jachtakte aan. “Je hoefde toen nog geen diploma of zo te behalen. Wel moest je kunnen aantonen, dat je over voldoende jachtgrond kon beschikken. Met een stel jagers uit Nutter hadden we zo’n 20 bunder. En allemaal hier in de buurt. Als ik mijn huis uitging, stond ik als het waren midden in de jachtakte”, vertelt Jan. In 1996 besloot Jan de akte op te geven en het geweer in te leveren. Maar hij bleef wel lid van de jachtclub. Hij werd zelfs tot erelid benoemd en dat had nog een aangenaam staartje. Bij z’n 80ste verjaardag kreeg Jan namelijk van zijn jachtclub ook felicitaties en samen met Ali werd toen besloten om de club voor een gezellige barbecue uit te nodigen. Dat gebeurde op 20 september 2001. Dat daar vele (en sterke) jachtverhalen naar boven kwamen, spreekt vanzelf.
OLM
Tijdens zijn werk ten behoeve van het Kadaster en de ruilverkaveling kwam Jan Florijn met veel mensen in aanraking: grote boeren, kleine boeren, maar ook particulieren en groot grondbezitters en instellingen.
“Op die manier kwam ik in contact met de Overijsselse Landbouw Maatschappij, de OLM en hier ontmoette ik regelmatig ingenieur Baas.” Dat dan wel eens over andere dingen dan grondzaken werd gesproken, zal duidelijk zijn. Op een dag zei ir. Baas: “Jan je beseft natuurlijk dat die ruilverkaveling ooit is afgelopen. Heb je wel eens over ander werk nagedacht?”
Dat had Jan eigenlijk niet. Hij had immers nog werk en bovendien zijn boerderijtje achter de hand.
Maar ir. Baas had alles kennelijk goed voorbereid, want al spoedig kwam het aanbod: Kom bij ons, de OLM werken.
Jan laat tijdens ‘t Präötke merken, dat hij nog steeds trots is op het feit, dat men hèm steeds benaderde en dat het niet andersom was. Ze hadden hem nodig omdat zijn manier van werken in de smaak viel.
Op een vraag van Jan wat hij dan wel voor de OLM zou moeten doen, kwam al snel het antwoord: “Jij krijgt het beheer over de landbouwgronden en boerderijen van de OLM.” Ir. Baas vertelde daarna dat de tijd was aangebroken, waarin de boeren geadviseerd werd om te gaan investeren in bedrijfsuitbreiding. Door aan- en verkoop en door ruil moest er concentratie van gronden tot stand worden gebracht. Er moest in nieuwbouw van schuren en landbouwmachines worden geïnvesteerd en meer van dat soort voor de boeren ingrijpende zaken. “Het was”, verduidelijkt Jan Florijn, “de tijd van Mansholt, waarin deze landbouwpolitiek aan de orde was.” Vrijwel gelijktijdig accepteerde Jan Florijn een betrekking bij de Coveco, waarin de coöperatieve veeafzet centraal stond. Via deze organisatie kon Jan bij banken geld krijgen voor de boeren, voor wie de bedrijfsuitbreiding dan gemakkelijker aangepakt kon worden.

Daarin speelde het wederzijds vertrouwen een belangrijke rol en kon met geduld, overleg en gemoedelijkheid veel worden bereikt.
Dat het heden ten dage allemaal wat anders gaat, weet Jan Florijn ook al te goed. Hij is er dan wel een hele poos uit, maar blijkt nog terdege op de hoogte. Ir. Baas eindigde destijds zijn verhaal: “En als je besluit bij ons te komen, ga dan eens naar Utrecht en probeer bij de Raiffeisenbank geld voor de boeren los te krijgen.”
Jan had er eigenlijk wel oren naar. Maar stond daarbij tevens voor een groot dilemma. “Ik had immers nog steeds mijn boerderij: gebouwen, gronden en dergelijke. Ik wist niet wat ik daar zo ineens mee aan moest.”
Maar ook nu kwam er onverwachte hulp. “En als ik zo eens terugblik op mijn leven dan moet ik zeggen, dat er telkens, op de meest onverwachte ogenblikken een oplossing kwam.”

Er was op die manier een uitstekende bestemming voor de voormalige boerderij getroffen en wie de camping kent, weet dat deze op een der mooiste plekjes van Ootmarsum ligt.
Jan Florijn had hierdoor ook zijn handen vrij om zich voluit voor het werk bij de OLM en de Coveco in te zetten. “Aan- en verkoop van gronden behoorden tot mijn takenpakket, maar ook het toezicht op de boerderijen van de OLM. Zo waren bijvoorbeeld de boerderijen van Veldscholten (Putke), Veneklaas en Hams bezit van de OLM. Dat ik mede via de Coveco blanco volmacht had, was natuurlijk praktisch. Ik kon kopen en verkopen, zoals mij dat goed leek. Bij de OLM en Coveco, mijn twee bazen, zoals ik zelf wel eens zei, genoot ik het volste vertrouwen, maar dat was bij de boeren waarmee ik onderhandelde evenzo. En daar nu op terugziend, kan ik alle partijen recht in de ogen kijken. Ik heb het vertrouwen nooit beschaamd.”
Elektriciteit
Waar mogelijk trachtte Jan Florijn de boeren die hij bezocht, te helpen. Zo kwam hij regelmatig op het boerderijtje van Steggink in Nutter. “Höst-Herman” is de ‘daagse naam’. Deze woonde daar met zijn zuster. Het boerderijtje was in die tijd, het zal midden 70-er jaren van de vorige eeuw zijn geweest, nog verstoken van elektriciteit, dus men had geen elektrisch licht. Deze voorziening ging tot aan Masselink, “de Roesboer”. Höst-Herman had al meerdere keren gevraagd of Jan ervoor kon zorgen, dat ook hij werd aangesloten. Jan Florijn benaderde de gemeente Denekamp in de persoon van GEB-directeur Van Langen, maar deze achtte de aanleg financieel niet verantwoord. De afstand tussen de Vasserweg naar de boerderij over de Nutter Es was te groot.
Toch hield deze zaak Jan Florijn bezig en op zekere dag stapte hij naar wethouder Hemmer van de gemeente Tubbergen. Uiteindelijk lag het boerderijtje van Höst-Herman dichtbij de grens met die gemeente. B. Hemmer toonde zich veel toeschietelijker en beloofde medewerking. Veertien dagen later kreeg Jan Florijn een telefoontje uit Tubbergen. “Je kunt tegen die mensen zeggen dat ze stroom krijgen. Maar dan moet Herman zelf de palen in de grond graven.”
Met deze boodschap ging Jan Florijn naar Steggink (“Höst-Herman”) en het is te begrijpen dat ze dolblij waren. Jan kreeg koffie en een dikke sigaar. Toen hij even later opstond en naar buiten ging, liep de zuster van Herman hem na. Buitengekomen pakte ze Jan Florijn bij de arm en vroeg smekend: “Kö’j d’r ok veur zorgn da’w ietskes stroom mear kriegt. Dan kan ik mie zun striekiezer anschaffn en ok elektrisch striekn.” Zij dacht dat daarvoor een extra portie elektriciteit nodig was.
Jan vertelde het verhaal thuis meteen aan Ali, zijn tweede echtgenote waarmee hij in 1977 was getrouwd. Dat ontlokt de opmerking dat ze dit jaar, 2002 hun zilveren huwelijksfeest vieren.
Jan beschrijft dat je wel altijd recht door zee moet gaan. Geen gesjoemel, ook niet als je toevallig iemand heel goed kent. Zo ging het ook met de verkoop van Engels’ Tuin door de OLM aan de gemeente Ootmarsum. De gemeente wilde dit parkje dolgraag, maar er gingen ook stemmen op, dat er woningen gebouwd zouden worden. De OLM wilde wel verkopen, maar met de uitdrukkelijke voorwaarde, dat daar geen huizen mochten komen te staan. “Ik heb toen het compromis bereikt, dat de gemeente Engels’ Tuin kon kopen, maar dat er in 25 jaar niet gebouwd mocht worden. Het kostte enkelen bij de gemeente wat moeite, maar ze gingen toch akkoord.” Dat was in 1953. Die 25 jaar zijn inmiddels verstreken en niemand die nog aan woningbouw op die plaats denkt. Je kunt haast zeggen dat Ootmarsum een attractief stadsparkje mede aan Jan Florijn heeft te danken.
Zijn kwaliteiten als beheerder van gronden, raakten ook bij anderen bekend en zo kwam van particulieren het verzoek om medewerking. Zo vroeg de heer Van der Meer of Jan Florijn het beheer over zijn grond op het Springendal op zich wilde nemen. “In die tijd kon daar nog vrij gekampeerd worden en niet zelden werden tenten opgeslagen op de gronden van Van der Meer. Samen met onder andere Henk Keupink heb ik toen eerst het terrein afgerasterd. Daarna kon worden begonnen met beplanting, heide snoeien, waterlopen herzien en meer van dat werk.”
In die hoedanigheid heeft Jan menig gesprek gevoerd met Jannink, de eigenlijke grondbezitter van het Springendal.
“Het was werk waar je soms wekenlang mee bezig was, maar dat van de andere kant veel vrijheid bood. Er was niemand die je dreef en daar was de aard van het werk ook niet naar. Je moest uren, soms dagenlang praten en nog eens praten. De ander proberen te overtuigen wat de beste keuze was. Ik ben wel eens naar bed gegaan met de gedachte: met dat project wordt het niks. De andere dag echter kreeg ik er dan ineens een andere kijk op en dan lukte een transactie. Dat geeft natuurlijk veel voldoening.”
Dat het afscheid van de OLM het nodige teweeg zou brengen, had Jan niet beseft. Mijn vrouw en ik hebben toen in 1998 in een hotel in Steenwijk gelogeerd.
Maar ook anderszins werd het werken van Jan Florijn gewaardeerd. In april 1994 ontving hij uit handen van burgemeester J. Verbeeten een koninklijke onderscheiding: de ultieme dank voor een werkzaam leven.
In de Ootmarsumse gemeenschap speelde Jan ook zijn rol. Wie kent hem niet als secretaris van de plaatselijke VVV. Zijn jaarverslagen, tot in detail uitgewerkt, zijn nog steeds verhalen, die je veel over die periode kunnen vertellen.
Binnen de Nederlands Hervormde Gemeente was Jan lid van de Bouw- en Restauratiecommissie en mede dankzij hem is de toren op de kerk blijven staan. “Nich da’k ‘m zölf heb vasthoaln heur.”
Jan moet wat “hèènig andoon”, maar mag dat, als je 80 jaar bent? Toch zul je hem vaak zien, wanneer je een wandeling maakt op de Kuiperberg en zijn huis aan het Tichelwerk passeert. En je kunt van één ding verzekerd zijn: Jan is altijd wel in voor ‘n Präötke.
Ben Morshuis

