De Markt
Het woord markt is aan het latijn ontleend.
De oude Romeinen hadden zelfs een god van de handel “Mercurius” genaamd.
Mercurator was een koopman en het woord “mercatus” betekent behalve handel ook markt, jaarmarkt en volksfeest.
Ootmarsum krijgt omstreeks 1240-1250 voor het eerst of nog eerder stadsrechten.
Zeker weten doen we het niet, omdat de oudste brieven verloren zijn gegaan. Wel werd de bevestiging ervan gegeven in 1314.
Ootmarsum ontvangt dan de bevestiging van wigbolds- en stadsrechten zoals andere steden.
Ook mocht men een weekmarkt houden op dinsdag en een jaarmarkt op de dag voor en na Maria Geboorte.
Oldenzaal had al eerder een weekmarkt.
Mevr. Stappers schrijft in haar boek: “Twaalf eeuwen Oldenzaal”, dat de in 1049 ingestelde weekmarkt zich wist te handhaven.
Later kwam daar nog de zaterdag bij.
Dhr. H.J.M. Weustink geeft in zijn boek “Rechtsgeschiedenis van de stad Oldenzaal en van de markt Berghuizen tot 1795” een logische ontwikkeling van het marktwezen.
Hierin zegt hij:
“Nadat Oldenzaal zich tot een kerkelijk centrum had ontwikkeld, had dit tot gevolg dat het een plaats werd waar de gelovigen van het kerspel samen stroomden.

Het werd ook een trefpunt waar allerlei zaken, die men in het dagelijkse leven nodig had, konden kopen of verkopen.
Zo ontstond er een levendige handel, die zich steeds verder uitbreidde. Toen het saamhorigheidsgevoel bij de koop- en handwerklieden sterker geworden was, ontstond er een behoefte aan een eigen bestuur en rechtspraak”.
Aanvankelijk lag de nadruk op het samenkomen van de kooplieden en de bewoners, zonder dat de plaats van samenkomst een belangrijke rol speelde.
In de 10e eeuw komt het lokale karakter meer naar voren en speelt het marktleven zich af op een vaste plaats.
Een wettelijke bescherming had dit gebied nog niet, maar door het verlenen van marktrecht kwam deze plaats onder een betere bescherming te staan.
Deze uitte zich in het zogenaamde vrijgeleide (beschermende geleide of verklaring, die vrije doortocht verleent) en de snelle marktrechtspraak.
De markt is dan geworden tot ontheffing van burgerlijke verplichtingen (immuniteit).
Volgens Weustink stamt het oudste marktrecht uit 845.
Verder zegt hij:
“Aangezien door het marktprivilege de plaats van samenkomst tot immuniteitsgebied verklaard was, mocht degene, die dit privilege gekregen had, ook de rechtspraak aldaar uitoefenen”.
We maken onderscheid tussen week- en jaarmarkten.
De duur van de jaarmarkt bestrijkt 2 dagen voor de eigenlijke jaarmarkt en 2 dagen erna. In totaal dus 5 dagen.
In de vijfde eeuw was dat teruggelopen tot 3 dagen.
De jaarmarkt stond meestal in verband met de feestdag van een of andere schutsheilige.
De bezoekers van de markt stonden door het marktprivilege onder de “marktvrede” en hadden vrijgeleide.
Deze marktvrede en vrijgeleide waren eerst van persoonlijke aard en beschermden alleen de komende en gaande marktbezoeker.
In de volgende jaren ontwikkelde deze persoonlijke marktvrede zich tot een plaatselijke marktvrede, die het gebied waar de markt gehouden werd, beschermde.
Toen dus de plaatselijke marktvrede ontstaan was, moest men de plaats waar de markt gehouden werd begrenzen.
Men begrensde de ruimte waarbinnen de marktvrede gold tot een mijl rondom de marktplaats zelf.
Alle kwesties die zich tijdens de markt in dit gebied voordeden, vielen onder de bevoegdheid van het marktrecht.
De marktvrede en het marktrecht waren bestemd voor de bezoekers van de marktplaats.
Steeds meer mensen vestigden zich binnen het mijlgebied en vormden zo een gemeenschap.
Deze mensen wilden, dat de rechtspraak door eigen mensen werd uitgeoefend.
Zodra een gemeenschap een eigen bestuur en rechtspraak verlangt, is de laatste fase in de ontwikkeling tot stad aangebroken.
Het stadsrecht is dus ontstaan uit het marktrecht.
Op pagina 2 van het “Stadsrecht van Ootmarsum” lezen we: “In het jaar 1314 heeft Bisschop Guido van Henegouwen het wigboldrecht van zijn dorp Ootmarsum, dat dit reeds van ouds had, bevestigd en heeft een weekmarkt gegeven op alle dinsdagen en op de zondag na de geboorte van de Zalige Maagd Maria een jaarmarkt met een dag ervoor en een dag erna, met alle rechten, evenals andere steden hebben”.
De marktvrede, die de komende en gaande marktbezoekers een verhoogde rechtsbescherming verleende, gold slechts enkele dagen voor en na de eigenlijke markt.
Deze marktvrede moest een waarborg zijn voor ongestoorde rust gedurende de tijd, dat de markt gehouden werd, zodat zowel bewoners als vreemdelingen rustig handel konden drijven, zonder dat allerlei ruzies de rust verstoorden.
“Aangezien door het marktprivilege de plaats van samenkomst tot immuniteitsgebied verklaard was, mocht degene, die dit privilege gekregen had, ook de rechtspraak aldaar uitoefenen”.
We maken onderscheid tussen week- en jaarmarkten.
De duur van de jaarmarkt bestrijkt 2 dagen voor de eigenlijke jaarmarkt en 2 dagen erna. In totaal dus 5 dagen.
In de vijfde eeuw was dat teruggelopen tot 3 dagen.
De jaarmarkt stond meestal in verband met de feestdag van een of andere schutsheilige.
De bezoekers van de markt stonden door het marktprivilege onder de “marktvrede” en hadden vrijgeleide.
Deze marktvrede en vrijgeleide waren eerst van persoonlijke aard en beschermden alleen de komende en gaande marktbezoeker.
In de volgende jaren ontwikkelde deze persoonlijke marktvrede zich tot een plaatselijke marktvrede, die het gebied waar de markt gehouden werd, beschermde.
Toen dus de plaatselijke marktvrede ontstaan was, moest men de plaats waar de markt gehouden werd begrenzen.
Men begrensde de ruimte waarbinnen de marktvrede gold tot een mijl rondom de marktplaats zelf.
Alle kwesties die zich tijdens de markt in dit gebied voordeden, vielen onder de bevoegdheid van het marktrecht.
De marktvrede en het marktrecht waren bestemd voor de bezoekers van de marktplaats.
Steeds meer mensen vestigden zich binnen het mijlgebied en vormden zo een gemeenschap.
Deze mensen wilden, dat de rechtspraak door eigen mensen werd uitgeoefend.
Zodra een gemeenschap een eigen bestuur en rechtspraak verlangt, is de laatste fase in de ontwikkeling tot stad aangebroken.
Het stadsrecht is dus ontstaan uit het marktrecht.
Op pagina 2 van het “Stadsrecht van Ootmarsum” lezen we: “In het jaar 1314 heeft Bisschop Guido van Henegouwen het wigboldrecht van zijn dorp Ootmarsum, dat dit reeds van ouds had, bevestigd en heeft een weekmarkt gegeven op alle dinsdagen en op de zondag na de geboorte van de Zalige Maagd Maria een jaarmarkt met een dag ervoor en een dag erna, met alle rechten, evenals andere steden hebben”.
De marktvrede, die de komende en gaande marktbezoekers een verhoogde rechtsbescherming verleende, gold slechts enkele dagen voor en na de eigenlijke markt.
Deze marktvrede moest een waarborg zijn voor ongestoorde rust gedurende de tijd, dat de markt gehouden werd, zodat zowel bewoners als vreemdelingen rustig handel konden drijven, zonder dat allerlei ruzies de rust verstoorden.
Bronnen:
- H.J.M. Weustink: Rechtsgeschiedenis van de stad Oldenzaal en de markt Berghuizen.
- A. Stappers-Vürtheim: Twaalf eeuwen Oldenzaal.
- W.J. Formsma: Het Oud Archief der Gemeente Ootmarsum.
- J. Geerdink: Eenige Bijdragen tot de Geschiedenis van het Archidiaconaat en Aartspriesterschap Twenthe.
- A. Buter: Ootmarsum dichterbij.
Mevr. Hanneke Scholten en
Werkgroep Geschiedenis II

