Het Springendal
In een boeiend gesprek zette de heer J.W.R. Hattink, distrikthoofd natuurbehoud van o.a. het natuurreservaat “Het Springendal”, in zijn kantoor aan de Walstraat te Ootmarsum, voor ons uiteen hoe de stand van zaken er voor dit prachtige natuurgebied op 1 k.m. van Ootmarsum er voor staan. Het gebied is als natuurreservaat aangekocht door het ministerie van CRM in 1970. In het reservaat staan 4 woningen: 1 dubbele woning aan de Uelserdijk (Hobbemahuisje), 1 boerderij bewoond door de opzichter van dit gebied de heer R. Korbee, 1 gerestaureerde boerderij “Meerbekke en 1 boerderijtje aan de Hooidijk.
Jaarlijks komen er meer dan 200000 bezoekers naar dit gebied, die voornamelijk afkomstig zijn uit de bandstad van Twente en natuurlijk van de aanliggende campings en verhuurde boerderijen. ’s Nachts is het verboden om het gebied te betreden, maar herhaaldelijk worden er ’s avonds droppings of vossejachten georganiseerd. Met zaklantaarns en veel lawaai zoekt men de bestemmingsplaats dan weer op. Hiertegen wordt natuurlijk opgetreden en de aanliggende campings hebben ook een schrijven ontvangen dat dit niet is toegestaan. Vooral de dierenwereld ondervindt hiervan veel hinder en ’s zomers vindt men in dit gebied dan ook weinig reeën.
De meeste mensen parkeren hun auto keurig op één van de drie parkeerplaatsen en ook houden ze zich redelijk aan de opdracht zich niet buiten de paden te begeven. Toch heeft men zich helaas genoodzaakt gezien om bepaalde gebieden noemen.
Voor de bezoekers is het een verademing om die ouderwetse gewassen weer te zien groeien en ook de dieren profiteren er van. ’s Winters staat er nu rogge op het land en daar profiteren met name de reeën van zonder er overigens veel schade aan toe te brengen. Zo schat men het aantal reeën ’s winters op 80, die ’s zomers voor een groot gedeelte weer wegtrekken. Een aantal boeren had liever gezien dat 1/4 van de pachtgrond nog als maïsgrond mocht worden gebruikt, maar dit wordt niet toegestaan. Veel problemen zullen zij er ook niet van maken, omdat de pachtprijs van de grond aanmerkelijk lager ligt dan bij particuliere pachtgrond. Ook het Staatsbosbeheer heeft er geen belang bij dat er telkens andere huurders komen, zodat de veranderingen van drie jaar geleden zonder problemen in onderling overleg konden worden doorgevoerd.
Aanplanting.
De bomen die afsterven of omwaaien worden niet zonder meer door dezelfde soort bomen vervangen. Vooral de naaldbomen (spar, grove den en douglas) worden door inheemse bomen vervangen (eik en berk). Ook jonge beukebomen worden er nauwelijks meer aangeplant, omdat de grond te voedselarm is voor dit soort bomen. Normaal wordt er één eikeboom geplant op 2 m² en de tussenliggende ruimte wordt vanzelf opgevuld met andere jonge bomen en struiken zoals de berk, vuilboom en lijsterbes. Van tijd tot tijd moet een pas aangeplant perceel geschoond worden, want de prunus (Amerikaanse vogelkers) is een enorme woekerplant die gelukkig op het Springendal aardig aan banden is gelegd. Dit geldt in mindere mate ook voor de tamme kastanje, die vooral in de breedte snel groeit en zo de andere bomen geen kans geeft. Deze boomsoort wordt dan ook niet met grote zorg behandeld ook al zal menig Ootmarsummer wel zijn vruchten er van hebben verzameld bij de uitkijktoren. De fraaie bomen blijven wel staan, maar ze worden niet meer aangeplant. Hetzelfde geldt voor de naaldbomen. Dat ze niet allemaal verwijderd worden, komt omdat bepaalde diersoorten graag in deze bomen leven. Het zagen, opruimen, aanplanten en onderhouden gebeurt door diverse werkverbanden (W.S.W.), die onder deskundige leiding tot goede resultaten komen. Drie mensen van ’t Staatsbosbeheer zijn er zomer en winter altijd bezig.
De Paardeslenkte.
Een grote klus betreft het onderhoud van de grote heidevlakte (ca. 35 h.a.), de zogenaamde Paardeslenkte. Vroeger werd die in gedeeltes afgebrand en de heide bloeide daarna weer prachtig. In de zomer van 1984 zag men helaas dat na het afbranden, de heide op dat gedeelte er nauwelijks weer doorheen kwam en dat er nu volop het pijpestrootje (in de volksmond ten onrechte buntgras genoemd) groeit en de heide heeft overwoekerd. Waarschijnlijk wordt de grond nu door het branden toch iets te voedselrijk, waardoor het gras kans krijgt om te groeien. De heide neemt n.l. wel genoegen met voedselarme grond en het gras niet. Ook verdenkt men de zure regen er van dat deze de vergrassing bevordert.
Wanneer we de heide weer terug willen hebben, dan zal men de grond net als vroeger weer moeten afplaggen. Dit plaggesteken is een ongelofelijk karwei.
Men kan wel machinaal afplaggen, maar dan wordt te zeer in het milieu ingegrepen en krijgt men bovendien een heidevlakte die volkomen vlak is. Het is beter dat het met de hand gebeurt, want dan ziet de grond er veel onregelmatiger en natuurlijker uit. Ook laat men op enkele plaatsen diverse tientallen vierkante meters ongemoeid, waardoor het insektenleven en bodemleven, waarvan we nog maar weinig afweten, zijn normale gang kan gaan.

Vroeger.
Van de oorsprong van het Springendal kan de heer F. Harmsen meer vertellen, omdat hij er 66 jaar geleden geboren werd en er meer dan veertig jaar op heeft gewerkt.
Hij vertelt dat de heer Jannink (textielmagnaat te Enschede) in het begin van deze eeuw steeds meer grond opkocht van de boeren, die het financieel niet zo best hadden. Zijn vader kwam ook bij Jannink in dienst samen met 5 andere arbeiders en in 1926 verhuisde hij naar de boerderij, waar de Fam. Harmsen tot 1982 zou wonen. Deze boerderij werd door de heer Jannink gebouwd en zij hoefden er maar weinig huur voor te betalen, want “de grote heren” waren toch altijd geen uitbuiters.
“De heer Jannink wilde van het gebied een natuur- en jachtgebied maken, maar tegelijkertijd moest het natuurlijk ook wat opbrengen. Zo hebben we bij “Mösgeert” en in de “Pannekookhook” heel wat hectares volgepoot met allerlei dennesoorten. Ze moesten heel dicht op elkaar gepoot worden, want dan groeiden ze sneller en ’s winters werden ze verkocht. In het voorjaar kapten we jonge denneboompjes om ze voor 1 cent te verkopen aan mensen uit de stad voor bonenstokken.
Ook de tamme kastanjes en de rhododendrons hebben wij geplant. De schitterende beuken langs de Mosbeekweg stonden er al als grote bomen toen ik nog heel klein was. Waarschijnlijk zal de heer Cramer, die daar twee papiermolens had en veel grond, ze daar wel hebben laten planten. Behalve het verkopen van hout brachten de 40 h.a. cultuurgrond ook heel wat op. We hebben zelfs langs de Mosbeekweg ± 5 h.a. heidegrond nog in cultuur gebracht. Meestal verbouwden we er rogge op, maar ook hebben we wel eens 15 h.a. aardappels verbouwd,” aldus de heer Harmsen.

Harmsen: “Veel jongens uit Ootmarsum hebben tijdens de “toffelgaddervekaansie” hier hun zakcenten verdiend voor de koale Karmse. De grote heide (Paardenslenkte) brandden we eens in de 5 jaar af en daarna liep deze weer prachtig uit, maar we moesten wel regelmatig allerlei opslag er uit verwijderen. Vóór de oorlog werd er veel gestroopt en soms trok ik op één dag wel 500 strikken op. Om zich niet te laten herkennen, kleedden de stropers zich soms als vrouw. Soms telde ik op 1 dag wel 10 stropers. Ook na de oorlog werd nog veel gestroopt en toch zat er toen veel meer wild dan nu. De 4 jagers in dat gebied de heren Jannink, Dijkhuis, Weersink en de heer Kempers uit Oldenzaal schoten soms op één dag wel 120 stuks.
Na de oorlog kwam het kamperen opzetten en voor elke overnachting werd 3 cent per persoon gevraagd. Het kamperen nam vrij snel toe totdat het in handen kwam van Staatsbosbeheer, die het verbood. Sommigen hadden een vaste standplaats en bouwden er een provisorische W.C. naast en je zag hier en daar een oude matras slingeren. De aantrekkelijkheid van het Springendal ging snel achteruit. De fam. Jannink was niet meer zo rijk en op deze wijze ontvingen ze nog iets van het landgoed. Toen Mevr. Jannink stierf, had ze bepaald dat het landgoed niet in stukken mocht worden opgedeeld. Dit is waarschijnlijk de redding geweest van dit natuurgebied. De kinderen konden het niet betalen, de belastingen werden steeds hoger en de textielopbrengsten liepen terug. Gelukkig voor Ootmarsum e.o. kocht het Staatsbosbeheer het op en ze brachten er allerlei veranderingen aan, waardoor het gebied voor de natuurliefhebber er veel aantrekkelijker op is geworden.”
De verzuring.
De oppervlakkige bezoeker aan het natuurreservaat heeft niet in de gaten dat helaas ook hier de bomen er veel slechter zijn gaan uitzien. Het duidelijkste is dat te zien bij de naaldbomen. Eerst de spar en daarna de douglas. De naalden laten sneller los, zodat je steeds beter de kruin kunt zien. De jonge naalden die er weer aan komen zijn kleiner en vaak misvormd. De mensen van het Staatsbosbeheer hebben echter al opgemerkt dat de beukebomen er steeds holler zijn gaan uitzien dat er steeds meer ondergroei valt waar te nemen, wat normaal niet gebeurt. Ook de eikebomen hebben de laatste jaren veel last ondervonden van de eikebladroller (in ’t voorjaar de vele groene rupsjes die in lange draden naar beneden hangen). Een gezonde boom heeft daar minder last van, zit veel beter in het blad en heeft nauwelijks dode takken. Wat is hiervan de oorzaak? De verzuring. De belangrijkste stoffen die onze lucht verzuren zijn zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3). De grootste boosdoener is de zwaveldioxide (50%), daarna de ammoniak (30%) en 20% komt van de stikstofoxiden. Het grootste deel van de verontreiniging geschiedt in droge vorm en niet in natte vorm de zogenaamde zure regen.

De percentages zijn per streek verschillend, afhankelijk van de industriegebieden, het autogebruik en het gebruik van gier (dunne mest).
Wat is voor het Springendal het meeste belangrijk?
* De zwaveldioxide komt vooral uit de hoge schoorstenen van de grote bedrijven en elektriciteitsbedrijven en olieraffinaderijen. Het meeste krijgen we vanuit het buitenland (70%), maar ook wij hebben op het Springendal drie in bedrijf zijnde gasputten, die soms zwaveldioxide uitstoten en dat zal elke regelmatige bezoeker van het natuurpark wel eens geroken hebben.
* De stikstofoxiden worden vooral veroorzaakt door het verkeer en in mindere mate door de elektriciteitsbedrijven, industrie en huishoudens. Het verkeer is nagenoeg verboden op het Springendal, zodat we daar gelukkig niet al te veel zorgen over hoeven te maken.
* De ammoniak wordt voor 85% veroorzaakt door de dierlijke mest. Vooral in Twente staan we helaas hoog genoteerd wat betreft het gebruik van gier. In het natuurgebied zelf is het dan wel verboden, maar voor de gronden die er vlak aan grenzen geldt dat natuurlijk niet. De hoge zandgronden hier hebben nauwelijks een bufferend vermogen i.t.t. humusrijke kalkhoudende grond. Het gevolg is dat steeds meer voedingsstoffen uitspoelen. De haarwortels sterven af en de wortels blijven aan de oppervlakte om voedsel uit de humusrijke grond te halen. De boom zal eerder sterven en gemakkelijker ontwortelen.
Bovendien stijgt het nitraatgehalte van het grondwater snel door ’t gebruik van gier en hieruit komt ons drinkwater.
Hoe staat het met de zuurgraad van de zure regen in Nederland?
Als het regenwater helemaal schoon was dan zou het een zuurgraad van 7 hebben. In Nederland heeft een “normale” schone regen een zuurgraad (pH) van 5.6. Dit komt door natuurlijke oorzaken (bosbranden e.d. = 10%) en menselijke oorzaken 90%. Helaas is echter de zuurgraad van gewone regen bij ons echter 4.1.
Onderstaand schema geeft aan hoe erg dat is.
pH 13 : kalk
pH 12 : ammoniak
pH 11 :
pH 10 :
pH 9 : zeewater de pH – schaal
pH 8 : ==============
pH 7 : gedestilleerd zeewater
pH 6 : schone neerslag
pH 5 : licht zure regen
pH 4 : sterk zure regen, tomatensap
pH 3 : azijn
pH 2 : zuurste bui in Europa, citroensap
pH 1 : accuzuur
Harry Oude Elberink.
Naschrift 2026
Toen dit artikel begin jaren tachtig werd geschreven, stond de „zure regen” volop in de belangstelling. Sindsdien is vooral de uitstoot van zwaveldioxide zeer sterk verminderd en ook de uitstoot en neerslag van stikstof zijn aanzienlijk teruggebracht. Daarmee is de klassieke zure-regenproblematiek veel kleiner geworden.
Opmerkelijk is echter hoe vooruitziend het artikel was over ammoniak uit dierlijke mest. Juist stikstofdepositie vormt ruim veertig jaar later nog steeds een belangrijk probleem voor het Springendal en Dal van de Mosbeek. In 2014 bedroeg de gemiddelde depositie in het Natura 2000-gebied 1.990 mol stikstof per hectare per jaar, meer dan de kritische waarde van alle onderzochte stikstofgevoelige habitattypen. Ook in 2026 geldt het gebied officieel nog als overbelast met stikstof.
De terminologie is veranderd: in 1985 sprak men vooral over zure regen en verzuring, tegenwoordig over stikstofdepositie, verzuring en vermesting. Maar de kwetsbaarheid van de voedselarme Twentse zandgronden die in dit artikel wordt beschreven, staat nog altijd centraal.
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1984: Het Springendal, pagina 43Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast.
Ga naar de inhoudsopgave van 1984 →

