Harry Oude Elberink: De graspieper
De uit 5 personen bestaande groep heeft zich het afgelopen jaar bezig gehouden met de landelijke PTT-telling in december en februari. In het voorjaar waren we regelmatig te vinden op het vogelbroedgebied aan de Ottershagen bij het opkomen van de zon. Hier spoorden we eerst de nesten op, markeerden ze en plaatsten er nestbeschermers omheen. Dit alles was alleen mogelijk dank zij de medewerking van de grondeigenaars. Deze hebben ook toegezegd dat ze zoveel mogelijk met de vogels rekening zouden houden. Sommigen hadden al meer nesten gevonden dan wij op hun grondgebied. In totaal hebben we in 1985 op dit ± 40 ha grote gebied 34 nesten van de kievit gevonden met 117 eieren. Hiervan zijn er zeker 9 niet uitgebroed en 20 spoorloos verdwenen. Verder hebben we daar 4 nesten van de grutto gevonden met 14 eieren. Hiervan is zeker 1 nest niet uitgekomen. Ofschoon we wel 15 watersnippen en enkele leeuweriken en tureluurs hebben gezien, hebben we geen nest ontdekt. Ook hebben we 1 X de tapuit daar waargenomen. In de maand juni hebben we op het Springendal i.o.m. de heer R. Korbee een 3-tal nestkastroutes gevolgd en 84 kasten gecontroleerd. De grauwe vliegenvanger werd het meest waargenomen.
Tijdens onze tochten hebben we 1 dode bunzing aangetroffen en die voor ons museum laten opstoppen. Ook hebben we 1 graspieper gezien, die niet goed meer kon vliegen.
Op de volgende bladzijde treft U een foto van die vogel met enkele gegevens. De volksnaam: piepleeuwerik of pieper.
Officiële naam: Anthus pratensis.

GRASPIEPER
De graspieper komt in heel Nederland voor, maar het minst in gebieden met veel bossen. Het liefst op de ouderwetse hooilanden met ruigbegroeide slootkanten. Ze hebben meerdere broedsels per jaar en in ieder nest zitten 4 – 6 eieren, die roodbruine stipjes en vlekjes hebben met roodbruine “haaltjes” op een lichte ondergrond. Het gehele jaar door als broed- en trekvogel zeer algemeen. In de winter in gering aantal. De broedvogels keren tegelijkertijd met de veldleeuwerik terug. De bovenzijde van het verenpak is groen met op de borst en flanken veel donkerbruine streepjes. De staart heeft witte zijzomen. De poten zijn vleeskleurig, met zeer lange achternagel. De roep is: tsie-tsie-tsie.
Andere soorten: Grote Pieper, Duinpieper, Boompieper, Waterpieper, Oeverpieper.
H. Oude Elberink, rap.
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1985: Harry Oude Elberink: De graspieper, pagina 16Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast.
Ga naar de inhoudsopgave van 1985 →

