n Pröätke met Bernard Geerdink
met
BERNARD GEERDINKLeeftijd: 85 jaar.
Beroep: gepensioneerd, “meer nog alle daage drok”.
Kenmerk: levend geschiedenisboek.
“Ik wet nog völ meer.”
“Ie hoalt mie wa van ’t wark of, mear ik heb wa efkes tied um iets te vetell’n”.
B.J. Geerdink (Bernard) trekt zijn pet, die hij kennelijk nooit afzet en in elk geval het hele gesprek door blijft dragen, wat vaster op zijn hoofd, steekt een sigaartje op, dat nog door drie gevolgd zal worden en die hij alle tot op de laatste centimeter oprookt en begint zijn verhaaltje. Hij zit daarbij wat ongemakkelijk voorin een gemakkelijke stoel. Als je de eerste zin wat nader beschouwt en je roept je die in de loop van het gesprek nog eens in herinnering dan ontdek je daarin op z’n zachtst gezegd enkele tegenstrijdigheden.
Het komt in elk geval vreemd over dat een bijna 86-jarige nog “van zijn werk te halen is”. Een rondgang later in zijn werkplaats bewijst echter zijn gelijk: tal van machines, veel hout en fraaie stoeltjes, bijzettafeltjes, stoven (“as de keender joarig bint, möj toch wat hebb’n”) en een originele bokkenkar. Bernard Geerdink is er dagelijks druk mee.
Het “efkes tied um iets te vetell’n” blijkt echter niet te kloppen. Ruim 2½ uur is Bernard Geerdink vrijwel onafgebroken aan het woord en openbaart hierbij een schat aan plaatselijke historische gegevens, waar een geschiedschrijver van zou smullen (Misschien een tip? BM)
Een geheugen als een bunker, is de eerste gedachte als al die gegevens op je af komen: namen, jaartallen, familierelaties, straatnamen, huizen, enz. En kan Geerdink zich even een bepaalde naam niet herinneren dan onderbreekt hij zichzelf met “straks wet ik het wa” om er in de loop van het gesprek dan ook daadwerkelijk op terug te komen om de ontbrekende schakel in te vullen.
Het is echter niet alleen de schat aan gegevens die hij verstrekt, maar ook de manier waarop dat alles verteld wordt: historie doorspekt met komische anecdotes, waarmee Bernard Geerdink laat uitkomen, dat het vroeger dan wel niet altijd even gemakkelijk was, maar dat het zien van de humor het leven echt wel draaglijk maakte. En wie Bernard Geerdink kent (wie niet eigenlijk?) weet, dat het hem nooit aan humor heeft ontbroken. Een prettig gesprek dus, dat zeker een vervolg zal krijgen. Bernard Geerdink geeft dat zelf al aan: “Ik wet nog völ meer en ie magt geröst ’n moal wear komm’n”.
Bernard zag als oudste van de zeven kinderen Geerdink op 28 november 1900 het levenslicht. Na hem werden nog Jan, Henk, Antoon, Lien, Cis en Riek geboren (niet in deze volgorde).
Het gezin Geerdink woonde toen aan het Kerkplein nr. 23, een pand dat vader kocht van Van der Maas, een schoenmaker. “Vader was metselaar en werkte op afroep bij klanten. Aannemers had je in die tijd in Ootmarsum niet. Er was immers vrijwel geen nieuwbouw. Het eerste nieuw gebouwde pand dat ik mij kan herinneren, is het witte huis aan de Denekamperstraat (nu behorend bij de Wiemsel).
Vader werkte niet alleen in Ootmarsum, maar ook in Tubbergen, Vasse, Mander, Rossum, enz. Hij deed alles lopend af”, vertelt Geerdink, die hiermee een technische verhandeling geeft hoe ongebluste kalk geschikt werd gemaakt voor het metselen. Een in onze ogen primitieve manier van werken, maar voor die tijd erg efficiënt. Geerdink weet zich zelfs de merken kalk nog te herinneren. “Je had Luikse kalk en Lengerichse en die laatste was het beste,” zegt hij.
Bernards toekomst leek op de lagere school al vast te staan: metselaar, want als kleine jongen hielp hij zijn vader al. “Als de school uit was, kreeg ik een boterham en moest dan met vader mee. Tijd voor spelen was er nauwelijks. Er moest wat worden verdiend en als je kon, moest je daar aan meehelpen,” verklaart hij. In elk geval was het woensdagsmiddags en zaterdags altijd raak.
Voor het loon van Bernards vader kun je overigens tegenwoordig nog geen zakje patat kopen: “Nen Pruuschen daalder ofwel f 1,80” zegt Geerdink.
Bij een wat groter karwei werd de betaling anders geregeld. “Dan liet hij zich b.v. per 1000 gemetselde stenen betalen, maar veel hoger was het inkomen dan nog niet.”
Het spreekt vanzelf dat in de gezinnen naar andere “bronnen van inkomsten” gezocht werd en die lagen toen bij vrijwel iedereen op het terrein van wat (klein)vee en een stukje grond.
“Wij hadden een tuin aan de Alleeweg, waar nu de voetbalvelden liggen en daar werd voldoende voor eigen gebruik verbouwd; we konden zelfs nog aardappels verkopen”.
Als Bernard niet met zijn vader meeging op karwei, dan moest er in de tuin worden gewerkt.
“Dan hadden we twee sikken, van die mooie Zaanse en die zorgden voor de melk. Omdat we echter geen grond hadden waar die dieren konden grazen, moesten mijn broer Jan en ik er dagelijks op uit om gras te plukken.
“A’w oet school kwamm’n, stun ’t körfke a kloar en dan plukk’n wie grös woa’j ’t krieg’n konn’n”.
Een vast plekje was er bij Rijksontvanger Snoeyink (nu pand Tenniglo aan de Grotestraat) in de tuin. Deze man had al een soort gazon, maar natuurlijk geen grasmaaier. Mijn vader had afgesproken dat wij jongens het gras regelmatig kaal zouden houden en dat deden we met een schilmesje.” ’t Mos mooi kot, aans wed’n Snoeyink en ok oons pap hellig”, zegt Bernard. “Het hooi haalden we bij de kolken (visvijver/ijsbaan). Die grond was van de N.H. Diaconie”, weet Geerdink zich te herinneren en is er duidelijk trots op dat mede door zijn toedoen de sikken elk 3 liter melk per dag gaven.
Dan waren er elk jaar twee biggen, één voor de slacht en één voor de verkoop. Met een “menu” van gekookte aardappelen, melk of ondermelk en roggemeel werden de dieren ronduit verwend. “Die ondermelk hadden we van de melkfabriek aan de Grotestraat” (waar Geerdink nu zelf woont).
SCHOOL
“Toen ik 3 jaar was, ging ik naar de Bewaarschool. Die stond waar nu het hoofdgebouw van Huize Radboud (notariskantoor) is. Eén jaar in de Wachtkamer en daarna naar de Grote Bewaarschool en toen wij van de Bewaarschool kwamen, konden we lezen en schrijven”, vertelt hij trots. Hierna kwam de Openbare Lagere School, toen nog gevestigd aan de Oostwal, waar later de N.H. School stond en nu een parkeerplaats is.
“In de 1e en 2e (een deel) klas stond daar meester Kooi; in de 2e (rest) en 3e meester ten Bokum (’t ni’je meesterke werd hij genoemd; hij trouwde later met een dochter van Johannink); in de 4e en 5e hadden we meester Verkuil en in de 6e en 7e klas meester van Kessel, later meester Frielink” weet Bernard zich nauwgezet te herinneren.
“En toen ik van school kwam, moest ik aan het werk”, wordt simpelweg meegedeeld. “Ik was toen 13 jaar en had de 7e klas nog gehad. Eerder mocht je trouwens ook niet werken”.
Dat overtreding van die wet gevolgen had, ondervonden hij en zijn vader, toen Bernard 12 jaar was.
“Vader verving toen de houten gevel van ons huis aan het Kerkplein door de huidige voorzijde en ik moest de voegen uitkrabben”.
Hij werd daarbij echter betrapt door enkele marechaussees die bij “Wassche-Hahma” aan ’t Pläske in de kost waren. “Kereltje kom jij eens van de ladder af; en: Hoe oud ben je?” klonk het. Liegen hielp daar niet.
“Ze wuzz’n toch wa hoo oald a’k was”.
Vader kreeg een bekeuring van f 5,- (dree daage wark’n!!) en Bernard een grondige hekel aan de marechaussee.
Een daarvan heette Arens, die met Manna ten Bokum trouwde. Op latere leeftijd is hij weer in Ootmarsum komen wonen. “Toen ik ‘m zag, scheut’ mie voort wear te binn’n”, zegt Geerdink. Kennelijk zag de marechaussee daar strenger op toe dan de politie. Veldwachter Bouwhuis zag dat soort dingen niet; die snapte het beter. Alleen als je hinderlijk kattekwaad uithaalde, dan kwam Bouwhuis in actie. Je kon dan wel wegrennen, maar hij kreeg je toch te pakken. Hij kende je immers en kwam de andere dag gewoon op school en haalde je uit de klas”. Soms kwam de kwajongen er met een draai om de oren van af, maar bij een ernstiger vergrijp werd hij een paar uur opgesloten in het “papier’n huuske”, een rommelkamertje in het stadhuis.
WERK
Na de lagere school ging Bernard aan het werk; in ’t vak, bie ’t ambacht. “Ik wilde graag timmerman worden, maar aangezien vader metselaar was, moest ik dat ook doen” en daarop door filosoferend: “Tegenwoordig kennen de bouwvakkers maar één onderdeel van hun vak; wij leerden elk onderdeel”.
Hij leerde zijn vak zo goed, dat hij op ca. 18-jarige leeftijd een compleet huis bouwde: de woning aan de Tubbergerdijk, het eerste rechts. “De eerste woning met spouwmuur”, vertelt hij trots. Hij kreeg alleen hulp bij het timmerwerk van Gerard Wigbold.
Hierna kwamen er meer opdrachten binnen. Een daarvan was de verbouwing van hotel tot ziekenhuis van het pand naast Brons aan de Markt/Gasthuisstraat. Opdrachtgever was het kerkbestuur o.l.v. pastoor Egberink op Beuvink, dat het van de familie Teusse had gekocht. Omdat dit werk niet alleen geklaard kon worden, werden er mensen aangenomen.
ONTSPANNING
Natuurlijk werd niet alle tijd in werk gestopt. Bernard nam ook intensief deel aan het toenmalige verenigingsleven. Zo was hij jarenlang lid van de Harmonie Caecilia: “ik speelde zo’n 15 jaar klarinet”.
In die hoedanigheid maakte hij deel uit van een kleine groep muzikanten, die op bruiloften en partijen voor de “balmuziek” zorgde. Bij zo’n gelegenheid maakte hij kennis met Stien Dijkhuis, zijn huidige echtgenote.
“Ach ja, ie hadd’n veur dee tied ok wal ees ’n wicht, mer gienen veur vast”. Toen hij echter Stien ontmoette, was dat meteen liefde op het eerste gezicht.
Met zichtbaar genoegen wordt het verhaal verteld.
“We speelden met de groep in café Dijkhuis (het latere hotel Tubantia, waar nu de Rabobank staat) op de bruiloft van Marinus Stroot (vader van “Pei”) en Anneke Heerink. In de groep zaten o.a. van der Hout, Johan en Gerard Wilbers en Loed Urban. We zaten, zoals dat hoorde, achter het rekje en verzorgden het volledige dansprogramma.
Ineens zag ik toch een leuk wichtke binnen komen en dat bleek Stien te zijn. Ik wilde per sé met haar dansen met haar dansen en dat lukte. Het klikte meteen tussen ons en ik dacht er niet meer aan om achter het rekje te gaan zitten spelen. Ik vroeg of Loed Urban mij wilde vervangen. Dat kostte mij f 2,-, maar ik had het er graag voor over. Zo is het gekomen en het is nooit meer uit geweest”, besluit hij zijn verhaal.
Intussen trachtte Bernard met metselen, timmeren enz. de kost te verdienen, maar “schnabbelde” er tussentijds ook nog wat bij. Zo was hij een tijdlang conciërge in de Vincentiusvereniging (de huidige Klep aan de Kloosterstraat).
“Ik moest daar schoonmaken, achter de tap helpen en meer van dat soort karweitjes verrichten. Als loon ontving ik f 75,- per jaar en 2 cent van elke verkochte consumptie. Bij uitvoeringen van de toneelclub “Ernst en luim” werd er in de kelder waterchocola gemaakt en daarbij kreeg ik hulp van opoe Klaas. Elk verkocht kopje leverde mij toen 1 cent op”.
TROUWEN
Na enkele jaren verkering werden er trouwplannen gemaakt, maar toen kwam de vraag: waar gaan we wonen?
Intussen, het was 1922, was de boterfabriek Tubantia aan de Grotestraat door Oosterwijk aan de boeren verkocht. Toen de melkproduktie echter toenam, was er een grotere fabriek nodig en deze werd in 1927 door Geerdink en Velthuis gebouwd: Nooit Gedacht aan de Oldenzaalsestraat.
Dat was voor Bernard Geerdink de kans: hij kocht de leegstaande fabriek aan de Grotestraat en ondanks een andere mening van zijn vader (“het wodt oe te duur, jong”) sloopte Bernard de fabriek. (Oons pap was d’r wa lilk um).
Op die plaats bouwde hij toen de huidige woning en in 1934 trouwden Bernard en Stien.
Ofschoon B. Geerdink zich inmiddels een goede naam als aannemer had verworven, liet het werk op zich wachten. “Ik besloot toen in het rioleringswerk te gaan; dat lukte aardig en kreeg diverse opdrachten van gemeenten in de omgeving. De verdiensten van zo’n 40 tot 50 gulden per week waren voor die tijd niet gek”.
Toch keerde hij later tot zijn oude beroep terug en vanaf ’40 begon het timmeren weer. In het begin als klantenwerk, maar later als aannemer. “Ne groot’n aannemer bin’k nooit west. Ik har aajt ’n man of zes an’t wark en dat was mie genog. Toen ik 80 was, ben ik er mee gestopt, het was goed geweest en ik heb genoeg andere karweitjes te doen.”
Hij kan niet nalaten het gesprek met een komische anecdote te besluiten. Naast zijn lidmaatschap van de Harmonie heeft Bernard ook het kerkkoor van zijn muzikale kwaliteiten laten profiteren (en doet dat overigens nog). In 1922 werd hij, onder pastoor Scheepers, na een streng examen, lid.
“Een keer per jaar verzorgde het koor destijds een toneeluitvoering. Voor zo’n uitvoering huurde Harry Budde altijd costuums in Utrecht en dat kostte f 25,- per speelavond. We speelden 2 avonden, maar Budde gaf slechts 1 avond op. De bespaarde f 25,- werden dan voor een gezellig “möölke” gebruikt met koffie, broodjes, metworst, schinken en “’n vèètke doonker bier”. Jaren ging dat goed, totdat Budde op een dag een navordering van f 25,- kreeg, om die 2e avond. We vroegen ons af hoe men dat in Utrecht aan de weet was gekomen, tot we ontdekten dat een der spelers het programmaboekje met speeldata in zijn costuum had laten zitten. De f 25,- waren echter op. Het costuumverhuurbedrijf bleef maar op betaling aandringen, zelfs via een deurwaarder, tot Harry op een lumineus idee kwam: hij stuurde de laatste brief uit Utrecht ongeopend terug met het opschrift “Overleden”. Daarna hebben we er nooit meer iets van gehoord”.
Drukke gebaren, genietend lachen en vooral half dichtgeknepen pret-oogjes gaan met het vertellen gepaard.
Bernard Geerdink kan nog veel meer van dergelijke verhalen vertellen. Misschien komen we er nog eens op terug.
Ben Morshuis
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1985, pagina 48: ‘n Pröätke met Bernard GeerdinkDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 1985 →


