Jos Heerink: De kramsvogel

Er is veel tijd besteed aan het vogelbroedgebied bij het Ottershagen. Er werden 40 nesten gevonden van kieviten, 2 van scholeksters, 6 van grutto’s, 1 van een wulp en 1 van een tureluur. Er werd een schuilhut gemaakt voor observatie in dit gebied. Dit winter werden geen vogels bijgevoerd, omdat ze nog voldoende voedsel konden vinden. Er zijn 5 uilenkasten bij gemaakt, 5 waren er al. Ook heeft de groep zelf 50 nestkastjes gemaakt en opgehangen op de Roezeberg in een bos van de O.L.M. Er is een bunzing en een meerkoet gevonden. De heer Korbee werd geholpen met reeën tellen. Aan werk en werklust dus geen gebrek. Leider/rapporteur van deze actieve werkgroep is de heer H. Oude Elberink. G. Oude Vrielink en Ant. Weernink zijn het 6e en 7e lid van deze groep. Meer medewerkers zijn welkom.

DE KRAMSVOGEL (Turdus pilaris).

Bijzonderheid voor ons als Vogelwerkgroep gedurende het vogelbroedseizoen 1986 mag wel worden genoemd een broedsel van bovengenoemde vogel. Dit toch wel unieke broedgeval is als zodanig de geschiedenis in gegaan door bijschrijving op de inventarisatielijst van het B.S.P. (Bijzondere Soorten Projekt). De Nederlandse veldornithologen zijn de laatste jaren druk doende om via dit projekt aan de weet te komen waar, hoeveel en in welke biotoop bijzondere broedvogels zich ophouden. Doel van dit jarenlange onderzoek is om tot een betere bescherming van deze vogels cq. biotoop te komen, om daarmee verdere achteruitgang en verstoring te voorkomen.

Om U verdere onduidelijke afkortingen en vogeltaal te besparen zullen wij U hieronder enkele nadere bijzonderheden aangeven van deze zeer sierlijke en kleurrijke vogel.

KramsvogelIn het najaar, van oktober tot diep in de winter (vooral onder invloed van vorst) en in het voorjaar voornamelijk in maart en april trekt deze vogel in grote aantallen door ons land. Vooral Zeeland is als overwinteringsplaats zeer geliefd. Deze flinke vogel (24 à 27 cm) houdt van het open veld en wordt op de weide in koppels veel met spreeuwen en koperwieken gezien. Hipt in “fiere” houding: kop en hals opgeheven (niet als een merel in elkaar gedoken). In de vlucht valt het blauwgrijze van kop-, nek-, stuit- en staartdekveren goed op. Door de lange staart, bij het opvliegen iets uitgespreid, doen ze soms denken aan een duif. Roepen vooral wanneer ze verontrust worden: “tjak”, “tjak”, “tjak”…. Daarom worden ze ook wel tjakker genoemd (in Twente ook wel sjakker).

De naam kramsvogel houdt vermoedelijk verband met zijn voorkeur voor de blauwe bessen van de juniperus (jeneverbes = kram).

Nest en eieren lijken veel op die van de merel.

Broedvogel van Noord-Europa (zuidelijk tot in Duitsland, Oostenrijk en Hongarije) en Noord-Azië.

Wij hopen dat genoemde bijzonderheden omtrent deze vogelsoort U voldoende herkenningspunten hebben verschaft, wanneer U tijdens de vogeltrek deze vogel mocht tegenkomen.

J. Heerink

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1986, pagina 21: Jos Heerink: De kramsvogel

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.

Ga naar de inhoudsopgave van 1986 →
Jos Heerink: De kramsvogel
2026-10-25 10:07:47