‘n Pröätke met Gerrit Sleiderink
Elders in dit jaarboekje is een kort overzicht gewijd aan het 175-jarig bestaan van de Twentse Damastfabriek. Dit jubileum leek ons een goede aanleiding om deze keer „’n Pröötke” te houden met Gerrit Sleiderink (1917-1999), een man die 50 jaar op deze fabriek werkzaam is geweest.
Gerrit Sleiderink werd op 24 september 1917 aan de Denekamperstraat geboren; hij was de oudste in het gezin. Tot zijn 14e jaar bezocht hij de lagere school, waar hij les kreeg van onder andere juffrouw Bruns en de meesters v.d. Hout, Bolmer, J. Huls en ter Hofstede.
’t Febriek
Na de lagere schooltijd werd er in die dagen niet of nauwelijks aan de kinderen gevraagd of ze wilden „doorleren”.
„Bij ons was dat er in elk geval niet bij. Vader was wever op „’t febriek” en dat was hij vanaf zijn 12e jaar, vanaf 1902. Het was dan ook vanzelfsprekend dat zijn oudste zoon met hem meeging”, vertelt Gerrit.
Hij bekent wel dat hij persoonlijk liever was gaan studeren, „me verder ontwikkelen”, omschrijft hij zelf. „En als ik het eerlijk moet zeggen, heb ik aan het werk in de fabriek nooit erg veel plezier beleefd”. Het klinkt misschien wat vreemd uit de mond van iemand, die op diezelfde fabriek zijn 50-jarig jubileum heeft gevierd.
Hij benadrukt dan ook dat niet de mensen daar of ’t werken op zich hem tegenstonden. Gerrit had liever ander werk gedaan; iets waar meer persoonlijke inbreng en eigen initiatief aan te pas was gekomen; „waar je je meer bij had kunnen ontwikkelen”, herhaalt hij nog eens.
Pas op latere leeftijd (43 jaar) kreeg hij wel die kans en Gerrit maakte daar dan ook gretig gebruik van.
Terug naar 1931. Gerrit was 14 jaar en moest met vader mee. „Er moest wat verdiend worden en daar kwam bij dat het kennelijk niet gepast was wanneer kinderen verder studeerden. Mijn vader merkte daarover namelijk op: „Deurlear’n? Wat zal ’n hear wa nich zeng’n?” Waarmee de toenmalige directeur J.B. Reuwer werd bedoeld.
Een vakopleiding aan b.v. een weefschool was er niet, dus stond Gerrit de eerste tijd naast de vier getouwen van zijn vader: kijken, opletten en de eerste voorzichtige handelingen verrichten. Elke dag ’s morgens van 7.30-12.00 en ’s middags van 13.30-17.30 uur.
Hij stond daar niet alleen als kind van 14 jaar in de fabriek. Gerrit wist zich in gezelschap van o.a. Gerard Wierink, Gerard Hesselink en Bernard Schulten. Na ca. 3 weken kreeg hij zijn eigen getouw en toen ook pas het eerste loon: ƒ 2,50 per week „en dat ging regelrecht naar huis”, verzekert hij. Het was een welkome aanvulling op het loon dat vader verdiende en dat was zo tussen de ƒ 15,— en ƒ 20,— per week.
Na een paar maanden had Gerrit 2 getouwen en kon hij zich nagenoeg zelf redden.
Contact
Over de werkomstandigheden in die tijd wordt verschillend gedacht, maar als Gerrit Sleiderink aan het vertellen gaat, is het tussen de regels door te horen dat het niet zo romantisch was, als wel eens wordt voorgesteld. Het was hard werken op stuk („je kreeg betaald wat je klaar had”) en als je ziek was kreeg je niets. De baas had veel macht en elke poging tot eigen initiatief werd de kop ingedrukt.
Wel had je meer contact met je collega’s, al bleef dat beperkt tot gebarentaal vanwege het oorverdovende lawaai van de machines.
Het is bijzonder grappig te zien hoe men aan elkaar doorgaf hoe laat het was. Gerrit kent de tekens nog allemaal. „Ik wer wizze da’k saam’n met Heini Wilbers de hele klok nog roond kan”, verzekert hij.

In 1936 (5 oktober) werd Gerrit voor zijn nummer opgeroepen voor militaire dienst en bleef tot 1937 (19 maart) in Arnhem. „Drie dagen later stond ik al weer achter de touwen, nu in de inmiddels ingevoerde ploegendienst van 14.00-23.00 uur en voor ƒ 7,— per week”.
Gerrit werd weer als hulpwever aangesteld bij een zekere Bramer uit Vriezenveen. „Waarom dat gebeurde weet ik ook niet, want ik weefde toen beter dan de oude Bramer. Maar je protesteerde toen niet, je accepteerde het gewoon”.
In augustus 1937 maakt Gerrit „promotie” en kreeg hij twee getouwen voor het weven van canvas. Zijn loon kwam op ƒ 10,— per week.
De Tweede Wereldoorlog onderbrak echter een verdere vooruitgang binnen de fabriek.
In 1939 (29 augustus) kwam de mobilisatie en moest hij als soldaat opkomen. Hij maakte de hopeloze strijd mee aan de Grebbelinie en na de capitulatie en terugtrekking werd hij krijgsgevangen gemaakt en naar Duitsland gevoerd. Begin 1940 kwam hij terug en alsof er niets was gebeurd, nam hij zijn plaats in de fabriek weer in.
„Ik bleef er tot 1942. Toen ben ik bij Rawe in Nordhorn gaan werken. De reden hiervan was, dat ik toen een Ausweiss kreeg, waardoor je je vrij kon bewegen. Maar in 1945 (28 maart) klonk door de fabriek Ausländer, rauss!! en moesten we maken dat we wegkwamen; de oorlog was voorbij”.
Na de oorlog heeft Gerrit een poos met de gedachte rondgelopen om bij de politie te gaan, maar onder andere zijn ouders hielden hem daarvan terug. „Toen ik later toch wilde doorzetten, was het te laat”.
Ontwikkeling
Het verhaal wordt misschien eentonig, maar Gerrit ging inderdaad weer naar de Twentse Damastfabriek. We moeten echter wel bedenken, dat de mogelijkheden in die tijd erg beperkt waren. Je mocht vaak al blij zijn dat je wat verdiende. Tot 1947 bleef Gerrit weven. Toen kreeg hij ander, meer gevarieerd werk. Toen ook kreeg hij kans om zich middels enkele wintercursussen verder te bekwamen.
Met trots vertelt Gerrit verder dat hij zelfs op 43-jarige leeftijd (in 1960) aan een 5-jarige cursus op de Textielschool begon, die hij in 3 jaar afmaakte. De lessen daar bleven niet alleen tot vakkennis beperkt, maar je kreeg ook werktuigkunde, natuurkunde en zelfs maatschappijleer.
„Ik kreeg het gevoel alsof ik nu pas mijn idealen die ik altijd had gehad, kon gaan verwezenlijken”, vertelt Gerrit die nu nog het lesmateriaal uit die jaren kan tonen.
Niet alleen toen in de fabriek, maar nog heden ten dage heeft hij profijt van die scholing gehad.
Op 18 december 1980 ging Gerrit Sleiderink met de VUT, maar door af en toe nog naar de fabriek te gaan en er kleine karweitjes op te knappen, kon het 50-jarig jubileum op 5 oktober 1981 worden gevierd onder de huidige directeur J. Koenen.
Hiermee evenaarde hij het record van zijn vader die het in 1952 meemaakte, maar waaraan niet zoveel aandacht werd geschonken.
Demonstraties
De nu 70-jarige Gerrit Sleiderink is momenteel niet minder druk dan in de tijd dat hij nog naar de fabriek ging. Van het werk, dat hij, zoals hij zegt nooit met veel plezier heeft verricht, heeft hij nu zijn hobby gemaakt. „Maar dat komt, omdat ik me er nu op mijn eigen manier in kan uitleven”, verklaart hij. Hij heeft intussen tal van weefgetouwen gemaakt en aan liefhebbers verkocht. In de hal van de Twentse Damastfabriek staat ook een prachtig exemplaar van zijn hand, en achter zijn huis staat in een schuurtje ook een fraai getouw. Daar werkt hij vrijwel dagelijks aan en weeft er prachtig doek met naam erin, ook op verzoek.
Verder is Gerrit Sleiderink een graag geziene gast op beurzen en markten. Zo was hij in 1982 op de Holland Week in het Duitse Meppen, bezocht hij met zijn weefgetouw een beurs in Lisse en is hij niet meer weg te denken van de Ootmarsumse Siepelmarkten. Als hij daar deze zomer weer het weven demonstreert, zal niemand vermoeden dat Gerrit dit werk dan al 57 jaar heeft verricht.
Ben Morshuis
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1987, pagina 41: ‘n Pröätke met Gerrit SleiderinkDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 1987 →

