Smokkelen
De Eerste Wereldoorlog van 1914 – 1918. Een oorlog die zich in West Europa hoofdzakelijk afspeelde op Belgisch en Frans grondgebied en in Oost Europa in de landen Roemenië, Polen en Rusland. Het was Duitsland dat deze oorlog voerde, hierbij gesteund door Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en Turkije. Ons land bleef toen gelukkig neutraal al heeft onze koopvaardijvloot erg veel geleden vooral toen Duitsland de totale duikbotenoorlog afkondigde. Nederland kende echter geen bezettingsmacht en er speelden zich op Nederlands grondgebied geen gevechtshandelingen af. Duitsland was wel in oorlog. Alles werd opgeofferd aan de oorlogsproduktie, zodat er op ander gebied grote schaarste kwam. En de produkten die er dan nog waren, konden nauwelijks worden betaald. Het spreekt vanzelf dat vele Duitsers trachtten toch aan de nodige artikelen te komen om in hun eerste levensbehoeften te kunnen voorzien. Die mogelijkheid was er vooral voor de grensbewoners. In het neutrale Nederland was immers nog volop voorhanden: kleding, schoeisel, levensmiddelen. Het duurde dan ook niet lang of er ontstond een drukke ‘handel’ in het Nederlands-Duitse grensgebied. Omdat daarbij echter enerzijds de invoerrechten en anderzijds de uitvoerrechten werden ontdoken, was deze ‘handel’ illegaal, tegen de wet. Handel drijven op deze manier wordt smokkelen genoemd. Men wist dat men strafbaar bezig was, maar toch werd het op grote schaal beoefend. Men zag er namelijk meer een lucratief handeltje in, dan het overtreden van de wet. Verder blijkt uit verhalen, dat er weliswaar op sommige plaatsen min of meer georganiseerd en in groepsverband werd gesmokkeld, maar dat er over het algemeen sprake was van incidentele gevallen van smokkel. Hierbij probeerden één of meer familieleden of buren enkele produkten over de grens te brengen en daar te verkopen. Daarbij had men vaak een vast afleveringsadres, vanwaar de zaken verder werden getransporteerd, maar daar bemoeide de smokkelaar zich in de regel niet meer mee.
Schinkn
Het is niet verwonderlijk dat met het aantal geslaagde smokkelavonturen ook dat van de smokkelverhalen toenam. En in de meeste verhalen is de heldenrol dan toebedeeld aan de smokkelaar, terwijl de kommies (douanebeambte) degene is, die op slinkse wijze om de tuin wordt geleid. Maar er zijn ook verhalen, waarbij het juist andersom ging: het recht zegeviert over de wetsovertredende smokkelaar. Een van die verhalen werd ons door A. Groeneveld (88 jaar), Laagsestraat 72a verteld. Onopgesmukt, zonder overdrijving. Het verhaal van iemand die eigenlijk ongeschikt was als smokkelaar.
”Ik was al een paar keer met mijn broer en een paar jongens uit de buurt meegeweest de grens over”, begint Groeneveld zijn relaas. Hij zal toen zo’n 15 tot 16 jaar zijn geweest en woonde aan de Ottershagenweg in Tilligte. Hij weet zich niet meer te herinneren wat hij in de paar keer smokkelde. ”Het ging in elk geval om etenswaren en kleding”, zegt hij. Met die enkele keren had de jonge Toon Groeneveld een beetje geld verdiend en toen achtte hij de tijd rijp om eens een grotere slag te slaan. ”Ik kocht bij Borggreve in Tilligte vier hammen (schinkns) en die zou ik op de afgesproken ochtend via Ottershagen in de buurt van de grensovergang Laagse Paal de grens overdragen. Het waren zware schinkns en op advies van mijn zuster heb ik er toen één in huis achter gelaten. Achteraf was ik daar blij mee”, vertelt A. Groeneveld in zichzelf lachend als hij aan het avontuur terugdenkt.
Hij zou samen met een groep anderen gaan. Van die groep weet hij zich nog te herinneren: zijn broer Gerard Groeneveld, G. Veelers (Rools-Gait), H. Veelers (Middelhoes), J. Morsink (de Schutte uit Tilligte) en B. Nijkamp (de Lisboer). Zoals gebruikelijk werd de dienstmeid van de Hooboer ingeschakeld. (De Hooboer was de daagse naam van Boerrigter. Deze had een boerderij aan het eind van de Goudkampsweg. Die boerderij staat er nu niet meer, maar de plek waar de gebouwen stonden, is nog duidelijk terug te vinden). Die dienstmeid kon vanaf het erf van de Hooboer de hele Goudkampsweg afkijken tot aan de Laagsestraat. Als er tegen het afgesproken tijdstip, ’s morgens om 11.00 uur geen kommies op de weg te zien was, zou zij het afgesproken teken geven, waarop de groep door de Ottershagen naar de boerderij kon lopen. Achter die boerderij kon men dan even op verhaal komen om dan van daaruit de laatste etappe af te leggen. (Die dienstmeid was Sientje Leussink, die later trouwde met postbode Frans Hesselink).

”Alles verliep naar wens. We kwamen in de Ottershagen en zagen in de verte hoe Sientje een teken gaf dat alles veilig was. Ik was er blij mee, want die schinkns werden steeds zwaarder” vertelt A. Groeneveld. De groep rende richting boerderij Hooboer en kwam daar terecht achter een stro-berg (viemhoap). ”Daar kon ik eindelijk even de zware last op de grond leggen”. Ook de rest van de groep maakte van de korte pauze gebruik om de smokkelwaar even neer te leggen. En toen gebeurde het. Eensklaps kwam er een kommies uit het niets tevoorschijn. De jongemannen schrokken zich een ongeluk en begrepen niet waar die man zo plotseling vandaan kwam.
”Later bleek dat hij zich achter de èèdngloepe (eendenkooi, smal toelopende sloot om er eenden in te vangen) had verstopt. Hij zat daar al voordat Sientje, onze uitkijkpost, de Goudkampsweg had afgespeurd. Daarom had zij hem niet gezien”, verklaart A. Groeneveld. De jonge smokkelaars waren weliswaar op heterdaad betrapt, maar dat wilde nog niet zeggen dat ze zich ook meteen lieten grijpen. Ze negeerden dan ook unaniem het bevel ”Halt; blijf staan” en stoven in diverse richtingen uiteen; hun smokkelwaar lieten ze achter. ”Ik zie Rools-Gait nog richting Ottershagen rennen. De kommies schoot, maar raakte gelukkig niets. Ik sprong met enkele anderen in die greppel daar (Groeneveld wijst) en rende vandaar de grens over. Daar kwamen wij bij het huis, waar we onze waren hadden moeten afleveren, maar deze keer kwamen we met lege handen”, vertelt Groeneveld. ”In een flits schoot het door me heen: Maar goed dat ik de raad van mijn zuster heb opgevolgd, want nu heb ik tenminste nog één schinkn”. Ze bleven de hele dag in het Duitse grensgebied verstopt en keerden pas tegen donker naar de Hooboer terug. Hun smokkelwaar was natuurlijk door de kommiezen meegenomen. ”Daar zag je niks van terug”. Kennelijk had de jonge Groeneveld de schrik goed te pakken. ”Ik heb nadien niet meer meegedaan; ik was er ook niet zo geschikt voor”. Dan kijkt hij nog even over de Ottershagen zo deze er nu, anno 1990 bij ligt. Zijn ogen volgen de route die hij toen moest lopen om de smokkelwaar naar Duitsland te brengen. Dan merkt hij ineens op: ”In ’n lestn oorlog hoown wie daor niks hen te brengn….. toen haaln ze ’t zich zölf wa op!”
Dodelijke slachtoffers
Minder gelukkig bracht H. Lansink (de Kniep) uit Tilligte het er van af. Hij had wel een erg handige manier bedacht om zijn smokkelwaar over de grens te brengen. Hij pakte alles in een tobbe (ne balie), zette die in het water, bond er een touw aan en trok daarna vanaf de hoge oever de zaak richting grens. Maar ook deze keer stond er een kommies op de uitkijk. Hij zag Lansink aankomen en sommeerde hem stil te staan. Deze liet echter het touw los en vluchtte. De kommies schoot en de jonge smokkelaar werd dodelijk getroffen.
Lied
Een ander dodelijk slachtoffer van het smokkelen heeft een onbekende tekstdichter in die tijd geïnspireerd tot het maken van onderstaand lied. Nog vele jaren na de Eerste Wereldoorlog werd het gezongen. De smokkelaar over wie hier wordt verhaald, was afkomstig uit Ootmarsum.

De smokkelaar
| Een soldaat-kommies stond op z’n post In het middernachtelijk uur Zijn oog is mat, zijn wang is bleek Zijn geest is nog vol vuur |
2 x |
| Zijn geweer houdt hij krampachtig vast Zijn ogen dwalen rond Dan wordt hij eensklaps opgeschrikt Door ’t blaffen van een hond. |
2 x |
| De soldaat-kommies die houdt zich stil En denkt: Nu pak ik jou De smokkelaar stapt moedig voort En denkt: Ik ben er gauw |
2 x |
| Maar opeens daar dondert hem in ’t oor ”Zeg, halt jij smokkelaar” De man wordt bijna stom van schrik En denkt: Ik vlucht nu maar. |
2 x |
| Hij draait zich om en snelt reeds heen Maar och daar valt een schot Getroffen zonk de smokkelaar neer En zucht: Ik sterf, o God |
2 x |
| De soldaat-kommies snelt naar de plaats Waar het lijk ter aarde ligt En sprak: Ik heb een moord begaan Maar ik deed toch steeds mijn plicht |
2 x |
| En droevig jammerend blijft hij staan En staart met stomme smart Naar het lichaam van den smokkelaar Doorschoten is zijn hart |
2 x |
| En in dat smokkelaars huisgezin Daar klinkt een blij gelach Van een jonge moeder met haar kind Niet wetend wat hen wacht. |
2 x |
| Opeens daar wordt er aangeklopt De moeder was reeds blij En vrolijk sprak ze tot haar kind Daar zal uw vader zijn. |
2 x |
| Maar welk een schrik bekwam haar dra Toen ze in plaats van hare man Een man der wet voor zich zag staan Waarvan zij toen vernam: |
2 x |
| ”Uw man dat is een smokkelaar Die z’n straf heeft ondergaan Een kommies die post had aan de grens Zag hem zo zwaar belaân |
2 x |
| De soldaat-kommies sommeerde: Halt Maar ach, hij bleef niet staan De soldaat die lost een schot op hem En heeft zijn plicht gedaan. |
2 x |
| De soldaat-kommies snelde naar de plaats Maar och, hij leefde niet meer Daarom leg ik als man der wet Het lijk maar gauw hier neer” |
2 x |
| Bewusteloos zonk de moeder neer Toen het lijk werd binnengebracht Dat zulk een ramp haar treffen zou Dat had zij nooit gedacht. |
2 x |

Ben Morshuis
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1989, pagina 30: SmokkelenDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 1989 →

