
Inleiding
Erve Tijthoff te Agelo was eigendom van Johanna Tijthoff (1875-1945), weduwe van de Duitse textielfabrikant Carl Povel (1865-1943), toen de Nederlandse staat de erve in 1945 confisqueerde. Op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen ging het hier te lande aanwezige vermogen van Duitsers in eigendom over op de Nederlandse staat. De eigendomsverkrijging van het vijandelijk vermogen moest worden beschouwd als herstelbetaling voor de door Nederland als gevolg van de oorlog geleden schade. De erve omvatte twee boerderijen, een arbeidershuis en ongeveer 80 ha. grond. In 1948 werd ‘Erve Tijthoff’ geschat op fl. 120.000,-. De weduwe Povel, wier voorvaderen de erve hadden gekocht, moest ervaren dat het landgoed haar werd ontnomen. Hetzelfde lot als dat van de weduwe Povel trof bijvoorbeeld de zoon van de in 1918 naar Nederland gevluchte keizer Wilhelm II: de Nederlandse staat werd eigenaar van ‘Huis Doom’. Ook het eiland Schiermonnikoog, eigendom van graaf Bernstorff, ging in eigendom over op de Nederlandse staat. Landerijen in de gemeente Gendringen, nabij Elten, werden ontnomen aan Fürst zu Salm-Salm. In totaal behield Nederland 750 miljoen gulden aan vijandelijk vermogen. Dit zou nu ongeveer 1,6 miljard euro zijn.
Het Besluit Vijandelijk Vermogen (BVV)
Op de verschillende conferenties na de Tweede Wereldoorlog spraken de geallieerden af dat Duits vermogen op geallieerd territoir moest dienen als herstelbetaling en ‘Wiedergutmachung’. De Nederlandse regering had dit in Londen in 1944 al besloten.
De confiscatie werkte zonder aanzien des persoons. Het al of niet persoonlijk vijandig gedrag was in eerste instantie van geen betekenis. De confiscatie moest dan ook niet worden beschouwd als een persoonlijke bestraffing van vijandelijke onderdanen wegens veronderstelde deelneming aan tegen ons volk gepleegde gewelddaden. Men vond het redelijk dat naast vijandelijke staten ook hun onderdanen -leden der vijandelijke staatsgemeenschappen- met hun gehele vermogen aansprakelijk werden gesteld voor de oorlogsschade.
Daarbij was het de bedoeling, dat de Duitse staat later in een verdrag de verplichting zou worden opgelegd de door het BVV benadeelde onderdanen schadeloos te stellen. Dit verdrag zou in 1963 tot stand komen. Het vijandelijk vermogen dat in eigendom was overgegaan op de Nederlandse staat werd onder beheer gesteld van het Nederlands Beheersinstituut. Hetzelfde gold voor het vermogen van NSB-ers, dat als landverraderlijk vermogen werd bestempeld. Landverraderlijk vermogen ging echter niet in eigendom op de Staat over, maar werd onder beheer gesteld.
Het beheer werd gedecentraliseerd uitgevoerd door plaatselijke vertegenwoordigers. Zo werd het beheer over ‘Erve Tijthofl‘ gevoerd door notaris A.G.J.M. Kirch te Ootmarsum en later -per 1 november 1947- door de rentmeester der Staatsdomeinen te Zwolle, Ir J. Kluytenaar, die werd opgevolgd door ir. J . Nysingh. J . Kroeze bleef de erve pachten. ln plaats van de weduwe Povel, de voormalige eigenares, trad nu de Staat als verpachter op. De Staat was immers eigenaar van ‘Erve Tijthoff’ geworden.
Het BVV gaf de betrokkenen een mogelijkheid om de goederen die in eigendom op de staat waren overgegaan terug te krijgen of, indien het goed reeds was geliquideerd, hetgeen ervoor in de plaats was gekomen, dat wil zeggen, de opbrengst van de verkoop door het Beheersinstituut.
De voormalige eigenaar kwam voor teruggave in aanmerking indien hij kon aantonen dat hij belangrijke verdiensten jegens de geallieerde zaak had verricht. Hij kreeg in dat geval een zogeheten ‘ontvijandingsverklaring’.
De erven Povel dienen een ontvijandingsverzoek in.
Zoals gezegd was Erve Tijthoff eigendom van de weduwe Povel te Nordhorn. Zij was in 1875 geboren uit het huwelijk tussen de Nederlandse militaire arts Jodocus Gerhardus Hendrik Tijthoff (1826-1900) en Jenny Maria Anna Franciska Linde (1848-1917). Door haar huwelijk met de Duitse textielfabrikant Povel in 1904 kreeg zij de Duitse nationaliteit. Erve Tijthoff was afkomstig uit haar familiebezit en aangezien Zij en Povel op huwelijkse voorwaarden waren getrouwd, bleef de erve haar privé-eigendom. Carl Povel stierf tijdens de oorlog in 1943; Zij bleef in Nordhorn wonen.

De erve, dat wil zeggen de grote boerderij, 14.38.50 ha. grasland, 11.51.89 ha. Bouwland en 8.67.06 ha. Woeste grond werd na de oorlog voor fl. 1300,- per jaar verpacht aan J. Kroeze, die in 1948 werd opgevolgd door zijn zoon H.G. Kroeze. Verder werd een perceel bouwland verpacht aan A. Bruns te Groot Agelo, de kleine boerderij aan G.J. Borggreve te Groot Agelo, het arbeidershuis aan J .H. Kamphuis.
De weduwe Povel stierf op 14 december 1945. Bij haar dood waren er negen van de elf kinderen nog in leven. De erven Povel richtten zich in 1950/51 bij monde van A Müller (*1900), advocaat en notaris te Nordhorn, met een verzoekschrift tot het Nederlands Beheersinstituut, waarin zij een om teruggave vroegen. Later werden zij bijgestaan door advocaat Mr. T.G. Scheer te Den Haag. De erfgenamen legden er de nadruk op dat hun moeder anti-nationaal-socialistisch en pro-Nederlands was geweest en deze instelling door daden had bevestigd. Om het instituut te kunnen overtuigen dat zij zich voldoende had ingezet werden schriftelijke verklaringen overgelegd. De verklaringen waren afkomstig van de heer J. Kroeze en zijn zoon en opvolger H.G. Kroeze, pachters van erve Tijthoff. Een aantal inwoners van Ootmarsum en omgeving legde een verklaring af dat zij op Erve Tijthoff onderdak hadden gevonden gedurende de oorlogsjaren, wanneer razzia’s voor arbeidsinzet of anderszins verwacht werden. Het waren J. Grimberg, H. Grimberg, A.J. Grimberg, J. Wientjes, G. Wientjes, B.A. Eertman, G.J. Eertman, J .B. Eertman, H.A. Eertman. (NB. Drie handtekeningen zijn niet te herleiden.) De heren Kroeze verklaarden, dat zij altijd in een goede verstandhouding met de familie Povel hadden gewerkt; dat er in de oorlog vele onderduikers op Tijthoff waren geweest en dat dit des te beter kon geschieden omdat de boerderij eigendom was van een Duitse familie; dat de familie Povel op de hoogte was van de onderduikers en dat de hulp aan de onderduikers was verleend op aansporing van de familie Povel. En tenslotte dat de heer Povel bij de begrafenis van Engels vliegers, die in de omgeving van Ootmarsum waren neergeschoten, gelden had bijgedragen voor de door de bevolking van Ootmarsum geschonken grafkransen. Tevens vond een getuigenverhoor plaats. J. Kroeze verklaarde dat hij op aandringen van mevrouw Povel dikwijls gratis producten van de boerderij en een deel van de inkomsten uit de boerderij aan mensen uit de buurt had gegeven; dat de heer en mevrouw Povel hem hadden gezegd dat hij iedereen die wilde onderduiken ‘maar moest nemen’. Het levensonderhoud zou ten laste van de boerderij komen. Zo waren er tijden dat er zo’n 10 á 15 jongelui op de boerderij waren, van wie sommigen een week bleven, anderen slechts enkele dagen: H. Klarenbeld, caféhouder te Lonneker, had er zelfs negen maanden vertoefd. Ook een Joodse verkoper uit Ootmarsum, S. ten Brink, had er ondergedoken gezeten. In zijn verklaring zei Ten Brink, dat zijn vader hem had kunnen opzoeken, terwijl het voor Joden verboden was bij anderen te komen, en dat Kroeze dingen voor hem had bewaard en naderhand weer ter hand had gesteld. Tevens werd Engelsen onderdak en eten verschaft. Aan één van hen had mevrouw Povel een pak burgerkleren gegeven, hetgeen bevestigd werd door de arts G.B.R. Wortelboer te Ootmarsum.
J. Kroeze verklaarde tenslotte dat hij gedurende de oorlog 3 à 4 keer in Nordhorn de familie Povel had bezocht. Dit gebeurde heimelijk. Zijn zoon H.G. Kroeze verklaarde dat de getuigenis van zijn vader op waarheid berustte. Hij voegde eraan toe dat mevrouw Povel ook hem toestemming had gegeven producten weg te geven.
In de pleitnotities van advocaat Scheer lezen we nog dat de erfgenamen -‘zonder aan de persoonlijke verdienste van Kroeze ook maar iets te willen afdoen’- zich veroorloven op te merken ‘dat het aandeel van hun moeder in zijn activiteit niet moet worden onderschat’. ‘Zij riskeerde immers door handelingen van de heer Kroeze haar Nederlandse bezit. Herhaaldelijk kwam het voor dat Duitsers, die op een boerderij onderduikers arresteerden, de boerderij in brand staken.’
Het was nu aan het Beheersinstituut om uitspraak te doen. Gezien het bovenstaande is het niet verwonderlijk dat dit instituut en later ook de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel, van oordeel waren dat mevrouw Povel zich voldoende had ingezet voor de Nederlandse zaak. Op 17 maart 1955 -de procedure had bijna 3 jaar geduurd- werd besloten dat Erve Tijthoff aan de erfgenamen moest worden teruggegeven.
Een truc
De erfgenamen hadden dus recht op teruggave van Erve Tijthoff. Zij moesten echter genoegen nemen met de koopsom die Erve Tijthoff had opgebracht. Het geval namelijk wilde dat het landgoed inmiddels door de Staat der Nederlanden was verkocht aan het Rijk in Europa. Een slinkse constructie! Wat was het geval? We gaan terug naar de tijd voordat het Beheersinstituut uitspraak over teruggave deed.
Zoals gezegd stelde het BVV als doel voorop dat vijandelijk vermogen moest dienen als herstelbetaling. Daartoe werd vijandelijk vermogen veelal verkocht. Meestal waren kopers particulieren, doch een aantal landelijke onroerende goederen, zoals Erve Tijthoff en Schiermonnikoog, was het Beheersinstituut niet van plan aan een particulier te verkopen. Men was bang dat het landgoed, gelegen in een van de mooiste natuurgebieden van Twente, op den duur zou worden verkaveld. Ook dacht men dat bij een goed beheer Erve Tijthoff na tien jaar een veel grotere waarde zou vertegenwoordigen dan de op dat moment getaxeerde waarde van fl. 120.000,- en dat in verband met deze verwachting het ontijdig verkopen van deze gronden zeer onvoordelig voor de staat zou zijn. Maar niet-verkopen leverde wel een probleem op voor de overheid. Want gesteld dat de erven Tijthoff zouden slagen in hun verzoek tot teruggave, dan moest de Erve in natura worden teruggegeven en dan raakte de Staat Tijthoff alsnog kwijt. De slinkse truc die werd bedacht hield het volgende in. Het Beheersinstituut beheerde het vijandelijk vermogen namens de Staat der Nederlanden in zijn geheel (Nederland én de Overzeese gebiedsdelen). De Staat der Nederlanden kon overeenkomsten sluiten met, en goederen in eigendom overdragen aan het Rijk in Europa, dat ten opzichte van de Staat als een afzonderlijke rechtspersoon moest worden beschouwd. Dientengevolge zou de overdracht van Erve Tijthoff worden gegoten in de vorm van een overeenkomst van koop en verkoop tussen de Staat der Nederlanden enerzijds en het Rijk in Europa anderzijds. Tijthoff moest derhalve door de Staat in eigendom worden overgedragen aan het Rijk in Europa. En zo geschiedde. Met uitzondering van enige percelen die aan de gemeente Ootmarsum waren verkocht, werd Erve Tijthoff in 1951 voor fl. 91.500,- verkocht aan het Rijk in Europa. Derhalve bijna fl. 30.000,- lager dan de geschatte waarde van fl. 120.000,-. Dat de koopsom van vijandelijk vermogen laag werd vastgesteld had twee redenen. Een laag bedrag was gunstig in verband met de nog vast te stellen vordering tot schadevergoeding die Nederland uit hoofde van de oorlogsschade tegen Duitsland zou instellen. De waarde van het inbeslaggenomen en geliquideerde vermogen zou op deze vordering in mindering worden gebracht. Hoe lager derhalve het vermogen werd getaxeerd, hoe hoger de vordering tegen Duitsland kon worden vastgesteld. In de tweede plaats hield men rekening met een eventuele ontvijanding. In dat geval had de ontvijande immers recht op teruggave van het vennogen of, indien liquidatie had plaatsgevonden, recht op hetgeen ervoor in de plaats was gekomen, te weten de koopsom die het goed had opgebracht. Hoe lager de koopsom werd vastgesteld, des te voordeliger was de Staat dus uit in geval van eventuele ontvijanding. De familie Povel kon haar hoop op teruggave van Tijthoff laten varen. Ook al was mevrouw Povel postuum ontvijand en hadden haar erfgenamen recht op teruggave van het vermogen, de Staat kon immers zeggen: “Het landgoed is niet meer van ons, het is van het Rijk in Europa”. De erfgenamen zouden hooguit recht kunnen doen gelden op de (lage) koopsom, die ervoor in de plaats was gekomen, te weten fl.91.500,-.
Kritiek op de constructie; de erven Povel kopen het landgoed terug
Merkwaardigerwijs kwamen de erven met de Staat tot overeenstemming het landgoed terug te kopen. In januari 1956 had de advocaat namens de erfgenamen het verzoek gedaan het landgoed tegen de getaxeerde waarde over te dragen aan Hermann Josef Povel, de oudste zoon. De koopsom bedroeg fl. 136.430,-. Dit bedrag is fl. 44.930,- hoger dan het bedrag waarvoor de Staat het aan het Rijk had verkocht.
In Den Haag rees verzet. Mr G. de Grooth, lid van de Eerste Kamer, en Joseph Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, die wel eens zijn vakantie in Ootmarsum doorbracht, reageerden verontwaardigd op de gang van zaken rond Erve Tijthoff
Ondanks de kritiek kwamen de erven toch met de Staat tot overeenstemming omtrent terugkoop van het landgoed. Koper was Elisabeth Catharina Maria Müiller-Povel, de tweede dochter. Tegen betaling van fl. 113.965,- kwam Erve Tijthoff uiteindelijk weer in handen van de familie Povel.
Dat de constructie juridisch gezien geen schoonheidsprijs verdient, behoeft geen betoog. Het doel van de constructie nu was geen ander dan het niet (willen) teruggeven van het vermogen in natura. En dat nu is op zijn minst aanvechtbaar te noemen. Ook wanneer we aannemen dat de Staat en het Rijk afzonderlijke civielrechtelijke rechtspersonen zijn. Er is in dat geval sprake van samenspanning tussen de koper en de verkoper met het doel de ex-eigenaar, die op grond van zijn ontvijanding recht had op teruggave van zijn vermogen in natura, definitief dit vermogen te ontnemen. Een overdracht die nota bene had plaatsgevonden tijdens de ontvijandingsprocedure die de Erve betrof. De ontvijande ex-eigenaar had zich derhalve, als de overdracht al geldig zou zijn geweest, op de onrechtmatigheid van de constructie kunnen beroepen en een actie uit onrechtmatige daad kunnen instellen. De erfgenamen hadden dan wellicht met succes schadevergoeding in natura van het Rijk kunnen eisen, dat wil zeggen teruglevering van de Erve Tijthoff. In ieder geval had, dunkt mij, had de Staat kunnen worden aangesproken om de onrechtmatige overdracht aan het Rijk -vestzak, broekzak- ongedaan te maken, waartoe hij in dit geval toch in staat moest worden geacht, om vervolgens tot teruglevering overeenkomstig de uitspraak van het Beheersinstituut over te gaan.
Tenslotte
De familie Povel heeft kennelijk haar verlies genomen en zoals gezegd de Erve teruggekocht. Weliswaar viel een deel van de landerijen van Tijthoff in de jaren zeventig ten prooi aan de ruilverkaveling, maar gelukkig is een groot deel bewaard gebleven. Inmiddels heeft de familie Povel op haar beurt delen van het landgoed verkocht. Onder andere aan de familie Kroeze, die van vader op zoon ononderbroken pachter is geweest van de boerderij en ongeveer 43 ha grond. Erve Tijthoff is heden ten dage eigendom van Jan Kroeze, die er een manegebedrijf heeft.

*Deze bijdrage vormt de samenvatting van het artikel “Een opmerkelijke akte: de Staat der
Nederlanden draagt Erve Tijthoff over in eigendom over aan het Rijk in Europa”, dat eerder verscheen in: Overijsselse Historische Bijdragen, afl. 115, Zwolle 2000, p. 45-51. De auteur, dr. mr. F.A.J. van der Ven, is gepromoveerd op een proefschrift getiteld: ‘Een omstreden eiland, de eigendom van het eiland Schiermonnikoog in geding’, Groningen 1993, dat vergelijkbare problematiek behandelt. Zij is werkzaam als Universitair Docent bij de Vakgroep Romeins Recht en Rechtsgeschiedenis, Faculteit der Rechtsgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit te Groningen.
Op de pagina Wie Woonde Waar vindt u foto’s en een historische beschrijving van de boerderij op de Almelosestraat 82

