
Drostenhuis
Het Drostenhuis of Röbkeshoes (De Stad 191) was in 1832 volgens de gegevens van het kadaster eigendom van Harmen Cramer (1804-1868). Herman Cramer erfde deze residentie en andere panden in Ootmarsum van zijn vader Hendrik Knijpinga Cramer (1754-1815), Drost van Twente. Hendrik Knijpinga Cramer (ook wel als Cremer of Kremer geschreven) overleed hier in 1815.
Hendrik Knijpinga Cramer
Hendrik Knijpinga Cramer was drost van Twente en had een relatie met Judith Waanders (1771-1848), maar zij waren niet officieel getrouwd. Hun zoon Harmen Cramer (1804-1868) is in Weerselo geboren als Herman Borgert en gedoopt als zoon van Judith Waanders, er werd geen vader genoemd! Bij zijn testament benoemt Hendrik Knijpinga Cramer de zoon van Judith tot universeel erfgenaam onder voorwaarde dat hij de naam Cramer zou voeren. Herman is 10 jaar oud als zijn "vader" overlijdt. Bij Koninklijk Besluit van 9 augustus 1815 werd de naamswijziging bekrachtigd.
Antony Vosding van Beverforde (1756-1833), de stiefbroer van Hendrik Knijpinga Cramer, schrijft in 1817 een uiterst rancuneus boekje, waarin hij de erfenis betwist. De moeder van Herman, Judith Waanders, heeft menig proces moeten voeren voor haar 10 jarige zoon om te voorkomen dat familieleden er met de erfenis vandoor gingen. Ook het Drostenhuis kwam in het bezit van Herman. Herman trouwde in 1826 met Magdalena Selkers (1805-1847). Het echtpaar kreeg 9 kinderen en leefde voornamelijk van de erfenis van zijn vader.
Judith Waanders is in 1848 op dit adres overleden, evenals de vrouw van Herman, Magdalena Selkers, en een aantal van hun kinderen. Herman Cramer overleed op 63 jarige leeftijd in Ootmarsum op 19 november 1868. Toen hij overleed waren alleen zijn dochter Euphemia (1829-1905) en zoon Herman (1831-1917) nog in leven.
Röbken
In 1858 werd het pand verkocht aan de grutter en bleker Hendrikus Albertus Röbken (1815-1876), in 1854 getrouwd met Johanna Mastebroek (1821-1892). Zij kregen hier samen 5 kinderen. Röbken was op dat moment grutter en bleeker aan de Oldenzaalsestraat 9.
In 1866 werd het pand afgebroken en herbouwd. Aan de achterkant van het Drostenhuis, aan de Keerweer, werd een cichorei- en Peekkoffiefabriek bijgebouwd (cichorei is een soort koffie surrogaat). De vader van Hendrikus, Hermannus Albertus Röbken (1760-1845), was ook fabrikant in cichoreijen, dus daarvan zal hij het vak geleerd hebben. Aan de voorkant was het kantoor te vinden. Het Drostenhuis kreeg het kadastrale nummer A1603 en de fabriek A1604.
Hun zoon Gerhardus Johannes (1857-1915) heeft later de fabriek voortgezet, samen met zijn jongere broer Bernardus Antonius (1859-1890) en hun moeder Johanna Röbken-Mastebroek.
Bloemen
Na het overlijden van Johanna Röbken-Mastebroek in 1892 werd de cichorijfabriek verkocht aan Gerhard Bloemen (1850-1935) (Slutke Bloom) die zijn kledingwinkel aan het Kerkplein had. De woning werd gesplitst in twee delen met de kadastrale nummers A2067 en A2068.
De woningen werden bewoond door personeel en hun gezinnen. Achtereenvolgens waren dat van 1891-1894 fabrieksmeester Otto Berenwinkel (*1867), van 1893-1896 weversbaas Peele van de Werfhorst (*1857) en van 1897-1898 machinist Josephus Theodorus Popelier (1869-1942). Daarnaast vermeldt het bevolkingsregister nog tal van andere tijdelijke bewoners, waaronder bv. de onderwijzer Johannes Hermannus Weustink (1877-1953), die later een boekhandel aan de Schiltstraat had. Ook heeft hier nog tot zijn overlijden in 1910 een broer van Gerhard Bloemen, Everhardus Gerhardus Bloemen (1845-1910) en zijn vrouw Anna Maria Buijvoets (1849-1934) gewoond.
In 1907 volgden er verbouwingen aan de kant van de fabriek en in 1911 werd er een vleugel aangebouwd. Het kadastrale nummer werd A2169.
In 1915 worden Drostenhuis en cichoreifabriek eigendom van hun zoon Willem Bloemen (1880-1958) (Kipsn-Bloom achter de kark).
Van Benthem
Begin 20e eeuw woonde hier het echtpaar Hendrikus Johannes van Benthem (1883-1965) (Tol Haans Hennik) en Maria Hermanna Weustink (1888-1971) in het middelste gedeelte waar zich nu de Haardkamer bevindt. De hoger gelegen ruimte daarnaast, de vroegere opkamer, is nu met een fraaie leuning afgescheiden. Dit was de slaapkamer van het echtpaar Van Benthem. Zijn bijnaam dankt hij aan het beroep van zijn vader: tolgaarder.
De woning bood in die tijd onderdak aan maar liefst 3 gezinnen. Behalve het echtpaar Van Benthem woonden hier ook zoon Frans van Benthem en zijn vrouw Fien Olde Scholtenhuis en zoon Willem van Benthem (1917-1996) en zijn vrouw Truus Oude Egbrink (1922-2008).
Het complex werd na de oorlog verhuurd aan de firma Hemolux, die er een confectieatelier in onderbracht.
In 1954 worden alle percelen samengevoegd en krijgt het geheel het kadastrale nummer A2936. Het perceel wordt in 1962 verkocht aan de gemeente Ootmarsum, die de fabriek in 1964 sloopt. Het perceel wordt weer gesplitst. Het Drostenhuis krijgt het kadastrale nummer A3393 en het terrein van de voormalige fabriek A3394.
Professor Mulder
In 1964 nam het uit Amstelveen afkomstige echtpaar Mulder-Van Eerde (prof. Johan Henrick Mulder (1907-1978) en Elisabeth Jacoba van Eerde (1912-2008)) het initiatief tot de restauratie van het Drostenhuis, nadat het door de tand des tijds in verval raakte. Professor Mulder heeft samen met zijn echtgenote het bouwvallige pand in volle glorie hersteld, en van een inventaris voorzien die past bij de bestemming die het pand had in het begin van de 18e eeuw.
Sinds 2005 gaat het pand verder de geschiedenis in als Museum het Drostenhuis Ootmarsum, beheerd door de Stichting Mulder-van Eerde.
Herkomst: Herman Steigstra
Datum: ± 2020


