
Erve Loaman
Lohuis -Loaman
Het Erve Loehues wordt voor het eerst in 1385 genoemd, maar bestond al langer. In dat jaar wordt namelijk gemeld in De registers en rekeningen van het bisdom Utrecht dat het erve in Aglo leeg staat.
Het Stift
In 1475 staat erve Lohues in het Schattingsregister van Twente vermeld als een kathe, een niet-volwaardige boerderij. Het is een bedrag van 1 ½ goudse rijnse guldens buitengewone belasting verschuldigd aan de bisschop van Utrecht, tevens landsheer van Twente. Het erf behoort dan toe aan het Stift te Weerselo en heeft in het register "Wersslo klederguet" achter de naam staan. Dit betekent waarschijnlijk, dat de pacht uit de boerderij gebruikt wordt om de kleren van de kloosterlingen van het Stift te bekostigen.
In 1543 staat de eerste melding van het erf Loehues in het Cartularium van het Stift, dat zaken als erfwinning, opvaart, vrijkoop of anderszins registreert. Het erf is dan vergroot door de landerijen van Segerdink, een kleine boerderij in Klein Agelo, bij het erf te trekken. Dit leidt meer dan honderd jaar later, in 1686, nog tot onenigheid tussen de boeren van Klein Agelo en Laeman. Deze kwestie wordt door de erfmarkenrichter afgehandeld, aldus het Markenboek Agelo.
Volgens het Verpondingsregister 1601 betaalt het erve Laeman de derde garve van de oogst aan pacht. In 1640 is erve Lahman in de marke Agelo een volwaardig erf geworden. De garfpachten zijn inmiddels omgezet in vaste pachten, zodat er grotere zekerheid is over de inkomsten voor het Stift.
De oudst bekende bewoner is Jan Lojinck, ook ten Lohuijs genoemd. Hij is rond 1660 pachtboer op het erf en trouwt in 1667 met Jenneken Mölman uit Volthe. Zij krijgen samen waarschijnlijk drie dochters en een zoon, Harmen ten Loohuijs, die op de boerderij blijft met zijn vrouw Fenneken Leusinck (*1678) uit Vasse. Het echtpaar krijgt voor zover bekend 4 kinderen.
Uit de Volkstelling 1748 blijkt dat hun oudste zoon Jan Lohuijs, Loman genoemd, in die tijd op de boerderij woont. Hij is gehuwd met Aeltjen ter Mölle (*1710) uit Agelo. Ze wonen er met hun 8 kinderen, knegt Lubbert en meid Geertjen. In 1751 is deze Jan Loman een van de toezichthouders, aangesteld om het markenbesluit over het poten, het vervoeren van mest en plaggen in de marke Agelo nauwkeurig te bewaken. Bij nalatigheid draaien de opzichters zelf voor de boetes op.
Zoon Lubbert Lohuijs (1737-1810) wordt opvolger op de boerderij. Hij huwt in 1766 met Aleidis Brungerink (1743-1807) uit Lutken Agelo. Zij krijgen 6 kinderen. In 1795 bij de Volkstelling bestaat het huishouden van Lubbert Loohuis uit 11 personen, waaronder vermoedelijk enkele dienstmeiden en knechten.
Lohuis

Het Stift blijft eigenaar tot 1812, wanneer in de Franse tijd het erve Lohuis via openbare verkoop voor 5.030,- frank wordt verkocht aan pachter Jannes Lohuis (1776-1841). Hij is een zoon van Lubbert Lohuijs en Aleidis Brungerink. Uit het procesverbaal van de verkoop van de boerderij in 1812 blijkt dat wijlen Lubbert Lohuis 92 gulden per jaar aan pacht betaalde aan het Stift. Daarnaast wordt vermeld dat het erve bestaat uit een woonhuis (erfhuis), een bakhuis, twee schuren, een oud huis & gaard 1 schepel en een oud huis. De akkers worden afzonderlijk aangeduid met naam en oppervlakte.
Twee jaar later in 1814 wordt Jannes Lohuis genoemd als deelnemer van een bijeenkomst van landeigenaren en erfgenamen van de marken Groot en Klein Agelo over de verdeling van markengronden. Jannes koopt dan twee schepel grond. Bij de oprichting van het kadaster in 1832 krijgt het huis en erf kadasternummer B358.
Na het overlijden van Jannes Lohuis in 1841 komt zoon Jan Hendrik Lohuis (1807-1863) op de boerderij. Uit zijn huwelijk met Aleijda Schoeltenhave (1810-1844) worden 4 kinderen geboren.
De gevelsluitsteen boven de niendeur onthult dat rond 1874 het boerenerf wordt voorzien van een nieuwe stenen gevel door de oudste zoon Hendrikus Lohuis (1840-1895). Hij is dat jaar gehuwd met Maria Sanderink (1846-1904) uit de Lutte.
In mei 1891 brandt het gehele woonhuis met stallen van Hendrikus en Maria af. 
Na het overlijden van zijn ouders neemt de oudste zoon Gerard Lohuis (1873-1951) de boerderij over. Hij trouwt in 1908 met Sina Broekhuis (1885-1912) van erve Gervelman, die een jaar na de geboorte van hun derde kind op jonge leeftijd overlijdt. Gerard Lohuis hertrouwt in 1914 met de jongere zus van Sina, Hanna Broekhuis (1887-1967), die het gezin al hielp met het huishouden. Het echtpaar krijgt samen nog 10 kinderen.
De oudste zoon Jan Lohuis (1910-2001), in Agelo bekend als Loaman of Loank Jan, zet de de boerderij voort na het overlijden van zijn vader. Hij trouwt met Lida Arkink (1918-2000) uit Bornerbroek. Samen krijgen ze zes kinderen. Zoon Leo Lohuis neemt later het bedrijf over. Hij verhuist in 2006 met zijn vrouw Siny Kamp en kinderen het boerenbedrijf naar Emmen.
Damink
In 2015 is het huis en bedrijfsgebouwen van erve Loaman verkocht aan Koen Damink (Ni’jboer). Hij runt er met zijn vrouw Irma een agrarisch dienstverleningsbedrijf, met kadasternummer Q1014,
Met deze overname zal de bijnaam Loaman geleidelijk aan tot het verleden gaan behoren.
=======================================================================================
Int Olde Lohuis

Mogelijk gaat het om het huisje, 36m2, dat vlak bij de boerderij Lohuis lag op het huidige kruispunt Weerselosestraat-Ageleresweg. Het krijgt in 1832 het kadasternummer B359 en het wordt in 1872 afgebroken. Het andere wonnershuis is het los Hoes in (huidig) Klein Agelo met kadasternummer B588, Enktermorsweg 4wei.
In Oost-Nederland was het tot in de Franse Tijd gebruikelijk dat de bewoners de naam van het wonnershuis aannamen, zolang ze er woonden. Een van de eerste vermeldingen van bewoning in het wonnershuis is in 1687 bij de doop van Geesken Lohuis (*1687) als dochter van Geert in t Olde Lohuis en vrouw Swenne.
Rond 1705 zijn Harmen ter Braak en Fenneken Nijkerk vermoedelijk in het wonnershuis gaan wonen. Drie van hun kinderen krijgen dan ook de naam olde Loohuijs. Blijkbaar wordt het bakhuis eveneens bewoond, afgaande op de naam van getuige Beert[e] uijt Loohuijs Backhuijs, ook Braek Beerte, bij de geboorte van jongste dochter Anna in 1712.
Een aantal jaren later, rond 1730, wonen Berentje Tijink en Hermen ter Horst in een wönnershuis van Loaman. Hun eerste 2 kinderen krijgen de achternaam In t Olde Loohuijs. Daarna verhuizen ze rond 1737 naar het naburige Int Olde Schurinck en krijgen daar nog enkele kinderen.
Ze maken plaats voor Bertum Braek (*1708) en Janna Gosinck. Het echtpaar is in 1737 getrouwd en krijgen voor zover bekend vijf kinderen int Olde Lohuijs. Tijdens de Volkstelling in 1748 wonen zij daar nog.
Het is niet duidelijk wie in de jaren daarna in het huisje gewoond heeft. In de Volkstelling 1795 wordt er geen melding gemaakt van bewoning van het wonnershuis in Groot Agelo, alleen van het los hoes in Klein Agelo.
Rond 1861 woont Gezina Schurink (1799-1862) mogelijk in het wonnershuis. Zij is spinster en woont alleen op het toenmalige adres GA 60. Niet lang na haar overlijden in 1862 wordt het huisje afgebroken.
Herkomst: Herman Steigstra
Datum: ± 2020



