
Weerselosestraat 33
Kloeze
"Erve De Meijer"
Bij het boerenerf Kloeze aan de Weerselosestraat 33 met de bijnaam De Meijer is sprake van een heel oud bezit. Het staat in ’De registers en rekeningen van het bisdom Utrecht’ tussen 1381 en 1383 te boek als den Jacopinchof in der buerscap to Aghelen. Ruim honderd jaar later, in 1475 , wordt het in het Schattingsregister van Twente Jacopinghoff genoemd. Vóór 1551 was het Stift te Weerselo eigenaar geworden van het erve de Jacobynchoff of des Meyers hues .
In 1601 wordt de bijnaam De Meyer aan het boerenerf toegevoegd. Meyer of Meijer is in die tijd een veelgebruikt woord voor een goed dat van de bisschop van Utrecht wordt gepacht of gehuurd. Volgens W.H. Dingeldein in het boek Acht eeuwen Stift Weerselo is De Meyer in Agelo in 1640 het grootste erf dat onder het Stift Weerselo behoort met een pachtopbrengst van 21 mud rogge, 4 mud gerst, 7 mud haver en 6 mud weite, ter waarde van fl . 176,- .
In een beschrijving van een Legger van het Stift uit 1733, opgesteld door rentmeester Cramer, bestaat het erve De Meijer, een ‘voll erve in Groten Agelo’ uit de volgende gebouwen: 1. Een woonhuis groot, 2. De lijftugt, 3. De schoppe (=schuur), 4. Nog eene schoppe, 5. De kleine schoppe, 6. Het backhuis. Vervolgens worden ook het Gaerden- en bouwland (ackers, hooiland etc) beschreven per akker met veldnaam en het aantal roeden. Het erf De Meijer wordt in 1738 verkocht, maar de nieuwe eigenaar is niet bekend.
De bovengenoemde gebouwen lijken overeen te komen met de kadastertekening uit 1832. Er is dan sprake van twee erven, t.w. een ‘groot’ erve Meijer, met kadasternummer B98 aan de huidige Weerselosestraat 33 en een ‘klein’ erve Meijer, nummer B78, het huidige Weerselosestraat 35 Het ’klein’ of ’olde’ Meijer is vermoedelijk het lijftochthuis geweest voor huisvesting van de ouders van de jonge boer op het erve Meijer. Na verloop van tijd zijn er andere familieleden of niet-verwanten in het huis gaan wonen en is het een wönnershuis geworden. Vermoedelijk is het erve De Meijer bij de verkoop in 1738 gesplitst.
Perceel B98 De Meijer
Bij de invoering van het kadaster in 1832 is Gerhard Bernard Stulen (1754-1838) eigenaar van perceelnummer B98, het ’groot’ erve De Meijer, een huis met erf van 910 m2. Stulen is voorheen predikant te Ootmarsum geweest en is dan rentenier. Na zijn overlijden in 1838 wordt de boerderij verkocht aan Johannes Theunis Roessingh Udink (1805-1858), burgemeester te Denekamp, die het erf nalaat aan zijn dochter Christina Catharina Roessingh Udink (1833-1904). Door haar 2e huwelijk mag zij zich Baronesse van Dedem van den Berg noemen. Na haar overlijden wordt in 1905 haar dochter Christina Bernardina Johanna van Heerdt (1855-1940), baronesse de Vos van Steenwijk, de nieuwe eigenaar van erve De Meijer. In 1911 volgt een bijbouw aan het woonhuis en krijgt het een nieuw perceelnummer, B1793. In 1932 worden enkele percelen samengevoegd. Haar zoon Frederik Henri baron de Vos van Steenwijk gen. van Essen (*1882) wordt in 1940 erfgenaam van De Meijer, inmiddels 6580 m2 groot met perceelnummer B1927. In 1942 verkoopt hij het erf aan de toenmalige bewoners, de gebroeders Hendrik Kloeze (1911-1987) en Herman Kloeze (1916-1996), die in de volksmond al de bijnaam de Meijer dragen. Laatstgenoemde blijft ongehuwd en in 1948 neemt Hendrik de boerderij over. Nadien blijft het erve de Meijer het eigendom van de bewoners.
De bewoners
Meijer/Smeijers
Uit doop- en trouwregisters uit de 17e eeuw van Ootmarsum zijn de namen van de vermoedelijke bewoners van het erve De Meijer af te leiden. Zo trouwt in 1670 Albert Meijer uit Groot Agelo met Grete Splinterinck uit Oud Ootmarsum. In 1686 wordt Albert aangesteld als toezichthouder markengronden, zo meldt het markenboek Agelo. Hij moet erop toezien dat er geen misbruik wordt gemaakt van het maken van toeslagen (=ontginning van woeste grond) in de marke Agelo. Het is vermoedelijk zijn vader Luicken Meijers, die hem daarin voorging. Luicken was in 1651 toezichthouder markengronden.
Het echtpaar Meijer-Splinterinck krijgt minstens zes of zeven kinderen. Zoon Luken Meijer is waarschijnlijk de erfopvolger. Hij krijgt met zijn vrouw Fenne Nijhuijs voor zover bekend zes kinderen. Mogelijk heeft ook zijn broer Aelbert Meijer (*1684) met vrouw Maria Vincken (*1680) en 2 kinderen op het erf gewoond.
Rond 1748 lijkt er een eind te zijn gekomen aan de bewoning van deze Meijers op het hoofderf. Het is niet duidelijk of er een verband is met de verkoop van het erf door het Stift Weerselo in 1738. Ook kan de familie Meijer getroffen zijn door vroegtijdig overlijden van de bewoners van het hoofderf of door een andere tegenslag. Het is opmerkelijk dat volgens de Volkstelling 1748 Hermen Meijer (*1705), de oudste zoon van bovengenoemde Luken Meijer, in het nabijgelegen lijftochthuis int olde Meijershuijs woont. Bij de Volkstelling wordt hij Henric genoemd, maar dat is waarschijnlijk een schrijffout. Hij woont er met zijn vrouw Ale, 5 kinderen ‘en dan nog een oude arme moeder’.

De oudste zoon, Albert, trouwt in 1774 met buurmeisje Geese Meenerinck (*1755) en blijft boer op het erve Meijer. Er worden in ieder geval 7 kinderen geboren, die bij de doop bijna allen de naam Smeijers of Meijer krijgen. Bij de Volkstelling in 1795 bestaat het huishouden van Albert uit 7 personen. Vermoedelijk zijn enkele zonen al op jonge leeftijd overleden.
In 1797 treedt zijn dochter Miene Smeijers (1776-1827) in het huwelijk met Gerrit Jan Roolefhuis (1768-1837), die later Gerrit Jan Meijer wordt genoemd. Het echtpaar krijgt voor zover bekend tien kinderen. Miene wordt de erfopvolgster na het overlijden van haar vader in 1810. Dit valt af te leiden uit de achternamen van haar kinderen. Alleen de vier, die geboren zijn na 1810 dragen de naam van het erf Meijer.
In 1832 blijkt Gerrit Jan Meijer, behalve boer op erve De Meijer, ook eigenaar van erve Meenderink , Weerselosestraat 29 te zijn, het erf waar zijn moeder is geboren. Hij is in die jaren actief betrokken bij de markenvergaderingen over de verdeling van de gemeenschappelijke gronden in Agelo.
Aan de Stegge
Na het overlijden van haar ouders zet dochter Johanna Roelfs (1809-1881) de boerderij De Meijer voort. Zij is in 1834 gehuwd met Jan Westenagel in Oude Deeperink (1797-1864) uit Reutum. Bij de naamsaanneming in 1811 heeft hij de achternaam Aan de Stegge gekregen. Pachtbrieven en betalingen bevestigen dat de familie Aan de Stegge in die tijd de huurders zijn van het erf.
Blijkens het bevolkingsregister 1861-1880 woont de familie Aan de Stegge nog op het erf, met drie inwonende knechten en een dienstmeid. Vader Jan is inmiddels overleden en zijn zoon Johannes aan de Stegge (1842-1913) is hem opgevolgd. Johannes blijft ongehuwd. Zijn oudste zus Maria aan de Stegge (1839-1906) blijft bij hem inwonen en is na het overlijden van hun moeder in 1881 verantwoordelijk voor het huishouden.
Kloeze

Nadat broer Johannes aan de Stegge in 1913 is overleden, zet het echtpaar Kloeze-Nijhuis de boerderij voort. In de volksmond blijven de bewoners De Meijer genoemd. De nieuwe boer Johannes zit ook in het bestuur, dat in 1927 de Zuivelfabriek Nooit Gedacht in Ootmarsum sticht. Zijn naam J. Kloeze staat gegraveerd op de steen in het voormalige fabrieksgebouw.
In 1942 kopen twee zonen Kloeze, Hendrik (1911-1987) en Herman (1916-1996) de boerderij met 16,5 ha grond van Frederik Henri baron de Vos van Steenwijk . Herman blijft ongehuwd. In 1948 neemt broer Hendrik de boerderij over. Hij is dat jaar gehuwd met Feem Brunninkhuis (1919-2010) uit Hezingen. Zijn moeder, tante en broer Herman blijven bij hen inwonen. Rond 1950 volgen enkele verbouwingen en een bijbouw. Het echtpaar krijgt drie kinderen, waarvan dochter Ria met haar gezin en broer Johan op de boerderij blijven.
Rond 2004 wordt een nieuw woonhuis achter de bestaande boerderij gebouwd. De eeuwenoude kapschuur wordt fraai gerestaureerd.
Herkomst: Herman Steigstra
Datum: ± 2020


