Opmerking

Bergplein

Op de plaats waar nu het Bergplein is, stonden tot het eind van de Tweede Wereldoorlog twee woningen, met in 1832 de nummers De Stad 239 en De Stad 240. De Stad 239 lag aan de kant van de Ganzenmarkt, De Stad 240 aan de Bergstraat. Het perceel aan de Ganzenmarkt was eigendom van de schoenmaker Gerrit van Tubbergh (1799-1857), het perceel aan de Bergstraat van de Stad Ootmarsum.

Berghvrede

Op deze plek was oorspronkelijk de Berghvrede, de oorsprong van Ootmarsum:

Op 1 Juli 1325 bevestigde Bisschop Johan van Diest de rechten en vrijheden, die Ootmarsum van zijne voorgangers verkregen had. In eene oorkonde van 1393 is er sprake van een „berghvrede”, d.i. eene apart liggende versterking, terwijl eenige jaren later, in 1397, Ootmarsum door bisschoppelijke gunst het recht verwierf, om zich in eene vesting te bemantelen en te versterken, zooals het luidde: „om der stad to vesten ende to verbeteren ende den synghelgraven to maken als den scepenen dit guet ende best dunket to syne”. Ter bestrijding der kosten van verbetering der wegen werd haar toegestaan, tol te heffen en weggeld te vorderen van „beesten en allerhande vrachten”. Het recht van windmolen werd Ootmarsum in 1502 verleend.

Bombardement

In de nacht van 29 op 30 januari 1945 vielen op deze plaats de bommen die geallieerde vliegtuigen lieten vallen. Dat gebeurde per abuis, omdat de piloot van een Engelse bommenwerper in een luchtgevecht met een Duitse jachtvlieger zijn bommenlast kwijt wilde en dacht dat hij boven Duits grondgebied vloog. De gevolgen voor Ootmarsum waren rampzalig. Één van de bommen kwam terecht bij de put in de Bergstraat en explodeerde.

Daarbij kwamen twee buurtbewoners om het leven. De 34-jarige Femmie Davids (1910-1945), lerares aan de protestantse school, was op slag dood en de 12-jarige Johan Heupink (1932-1945) overleed een dag later aan zijn verwondingen in het ziekenhuis in Oldenzaal. Daarnaast raakten nog eens zes buurtbewoners in meer en mindere mate ernstig gewond. Vele tientallen woningen werden geheel of gedeeltelijk verwoest of raakten beschadigd.

De wederopbouw werd in 1950 afgerond. Bij deze gelegenheid werd door burgemeester Schimmelpenninck van der Oye het oorlogsmonument onthuld op de plek waar de bom viel en explodeerde. ‘Ter herinnering aan vijf jaren oorlog, leed en verdrukking’, staat er op het stenen monument.

De Stad 239

Van Tubbergh

Het perceel aan de Ganzenmarkt met het kadatrale nummer A865 was eigendom van de schoenmaker Gerrit van Tubbergh (1799-1857), in 1826 getrouwd met Regina Gewald (1802-1879). Hiervoor was hij in 1823 getrouwd met Anna Maria Aleida Dreijer (1780-1825) die anderhalf jaar na hun huwelijk in 1825 overleed.

In 1816 overleed hier de ongehuwde broer Hendrik Jan van Tubbergh (1788-1816) die ook schoenmaker was op 28-jarige leeftijd.

De jongste dochter van Gerrit en Regina, Johanna Catharina van Tubbergh (1839-1875), trouwt in 1864 op 24-jarige leeftijd met de 61-jarige weduwnaar en deurwaarder Jakobus Klaasens Velthuizen (1803-1880). Het echtpaar kreeg hier 6 kinderen. Vader was 73 jaar oud toen hun laatste kind werd geboren! Johanna overlijdt niet lang na de geboorte van haar laatste kind op 34-jarige leeftijd.

Na het overlijden van Velthuizen, wordt de woning in 1881 gekocht door vrachtrijder en koetsier Bernardus Veldhuis (1830-1889). Hij trouwde in 1898 met Johanna Alberink (1837-1918), die later na zijn overlijden in 1889 de eigenaresse werd.

Van Benthem

In 1902 werd de woning verkocht aan Bernard van Benthem (1864-1950) die in 1896 was getrouwd met de dochter Hermanna Maria Veldhuis (1871-1953) van Bernardus Veldhuis. Bernard was kleermaker en werd ook wel kaantn snieder genoemd.

Heupink

In 1937 wordt de woning verkocht aan de schilder Gerard Heupink (1888-1969), in 1928 getrouwd met Anna Haenen (1894-1958). Het echtpaar kreeg twee kinderen, Johan (1932-1945) en Riet (1934-2024). In 1945 werd de woning getroffen door een geallieerde bom, waarbij het huis volledig werd verwoest en hun zoon Johan zwaar gewond werd. Johan bezweek de volgende dag aan de verwondingen.

De Stad 240

De woning die hier toen stond was eigendom van de gemeente Ootmarsum en had het kadastrale nummer A866. Het lijkt er op dat de woning tot de sloop in 1901 gebruikt is voor bewoning door weduwen en weduwnaren in de laatste levensfase. De put die daar nog steeds staat, stond op de rand van het perceel. Na de sloop in 1901 krijgt het erf het nieuwe kadastrale nummer A1754 .

In 1925 wordt het perceel gekocht door de buren, bakker Egidius Wientjes (1846-1934) en kleermaker Johan van Benthem (1897-1929).

De gemeente Ootmarsum bleef mede-eigenares van "een put ter grootte van ± 4 ca (Z.W. hoek)". Het perceeltje kreeg eerst het nummer A1754 en in 1927 A2414.



Herkomst: Herman Steigstra

Datum: ± 2020
2026-04-08 05:33:16