Opmerking

Laagsestraat 2

Waar tegenwoordig de winkel van de Welkoop staat, stond tot 1995 de fabriek van Twentse Damast. 200 jaar geleden lag hier nog een groot weiland. Tot zijn overlijden in 1830 was burgemeester Hieronimus Pennink (1746-1830) de eigenaar van dit weiland met het kadastrale nummer A1271. Het perceel was 14.450 m2 groot.

Na het overlijden van Pennink werden zijn dochter Geziena Pennink (1787-1860) (in 1822 getrouwd met Gerrit van Goor (1792-1867)) en later kleindochter Marianne Suzanne van Goor (1829-1864) de eigenaressen. Marianne Suzanne van Goor trouwde in 1857 met Hendrik Caspar Averes (1828-1884). In 1861 werd op het weiland begonnen met de bouw van een stoomweverij, die in 1864 gereed kwam.

Textielfabriek Baurichter & Kock

In 1866 werd de stoomweverij verkocht aan de in 1860 opgerichte firma Kock, Baurichter & Co. Johannes Bernardus Kock (1812-1893) werd de eigenaar, samen met zijn schoonzoon Johannes Carolus Remmers (1833-1906) en de broer van Johannes Carolus: Bernardus Antonius Philippus Remmers (1836-1908).

In Enschede kon Hendrik Baurichter (1816-1895) het goed vinden met de schoenmaker Johannes Bernardus Kock. Samen stichtten zij in 1860 een kolenhandel onder de firmanaam Baurichter & Kock. Kort tevoren was een dochter van Kock getrouwd met Johannes Carolus Remmers uit Raalte.

Na het overlijden van de vader van Remmers in 1860, ontving hij met zijn broer Bernardus Antonius Philippus een erfenis en zocht daarvoor een geschikte investering. De textielindustrie in Twente maakte op dat moment grote sprongen, maar daarvoor was de overstap op de stoom wel benodigd. In 1861 werd het kapitaal van Baurichter, Kock en de broers Remmers bij elkaar gevoegd en daaruit ontstond de firma Kock, Baurichter & Co. In de zomer van 1861 werd een begin gemaakt met de bouw van hun stoomweverij in Ootmarsum, de woonplaats van het jonge echtpaar Remmers-Kock. De fabriek bood plaats voor maar liefst 140 weefgetouwen uit Engeland.

Tijdens de bouw woonde Baurichter met zijn gezin aan de Ganzenmarkt 12.

Nadat de bouw in 1864 gereed was, kreeg het perceel waar de stoomweverij stond het kadastrale nummer A1563 en het daaromheen liggende bouwland A1564. Na het voltooien van een bijbouw in 1866 werden de perceelnummers A1585 en A1586.

In 1868 werden er twee woningen gebouwd op het bouwland met de kadastrale nummers A1629 en A1630. Het werden in 1868 de huisnummers BK134a en BK134c. De linkerwoning wordt bewoond door Egbert Hendrik Hofkes (1837-1909), die vanaf 1872 mede-eigenaar van de fabriek zou zijn. Het waren dus dienstwoningen. Ook zou de woning in gebruik geweest zijn als paardenstal: aan de achterzijde zaten grote deuren die na latere bewoning niet gebruikt werden. De woning is in 1965 gesloopt.

Hofkes Preuijt

In 1872 wordt de fabriek verkocht aan Egbert Hendrik Hofkes (1837-1909) en Cornelis Lodewijk Adrianus Preuijt (1832-1898). Zij waren neven van elkaar. Twee zoons van Preuijt, Jan (1858-1935) en Engelbert (*1856), werkten hier ook. Jan woonde tot 1882 in de dienstwoning, Engelbert van 1883 tot 1887.

In 1884 wordt hun vennootschap ontbonden en zet Preuijt de textielfabriek alleen voort. In 1889 wordt de textielfabriek verkocht aan "S. Bendien & zonen" uit Almelo. Engelbert verhuist in 1887.

Bendien

Drie zoons van textielfabrikant Salomon Bendien (1795-1871) richtten in 1889 een Commanditaire vennootschap onder firma op: Liepman (1833-1906), Gerhard (1836-1919) en Mauritz Alexander (1837-1916). Om de financiering rond te krijgen, werden de advocaat Isaac Wolff uit Leeuwarden en de koopman Jacob Mozes Wolff mede vennoten, door een lening van ƒ 30.000 te verstrekken. Deze vennootschap kocht in 1889 de textielfabriek van Preuijt. Twee zoons van Liepman, Alfred Bendien (1867-1929) en Salomon Bendien (1869-1942), woonden vanaf 1889 in de dienstwoning. In 1890 kwam ook hun broer Philip (1873-1926) hier voor korte tijd wonen en in 1898 neef Isaac Bendien (1880-1963).

Twentsche Damast

1892 werd de Twentsche Damast Linnen- en katoenfabriek NV opgericht. Alfred Bendien werd de directeur van de fabriek tot 1916. Alfred en zijn gezin woonden later aan de Grotestraat 4.

In 1916 besloot Bendien dat hij per 31 juli 1916 zijn functie als directeur wilde beëindigen. Per 1 augustus 1916 werd Adam van Wezel (1874-1947) als nieuwe directeur aangesteld. Omdat Van Wezel het niet eens was met een salarisverlaging, nam hij per 1 juli 1924 ontslag, waarna Johannes Bernardus Reuwer (1889-1951) bedrijfsleider werd. Reuwer was al in 1903 als jongste bediende werkzaam bij de "fabriek van Bendien" en vanaf 1914 als hoofdboekhouder. In 1930 werd Bendien directeur van het gehele textielbedrijf.

Vanaf 1934 werd er weer een aparte directeur voor de vestiging in Almelo benoemd en dat was Salomon Bendien (1869-1942), de kleinzoon van de oprichter van het textielbedrijf.

Een uitgebreide beschrijving van de geschiedenis van De Damast is te vinden in het boek 175 jaar Twentse Damast in Ootmarsum van de hand van Ben Morshuis.



Herkomst: Herman Steigstra

Datum: ± 2021
2026-03-30 04:05:31