
De stadskorenmolen van Bökkers in volle glorie.
In 1502 gaf bisschop Frederik van Baden aan Ootmarsum het windrecht, d.w.z. vergunning tot het oprichten van een korenwindmolen bij de stad. In januari 1767 brandde de molen af en werd spoedig herbouwd als op deze foto uit 1908. In 1873 ging de stadskorenmolen over aan de familie Bökkers uit Weerselo. Het kleine jongetje is de 9-jarige Toon Bökkers (1899-1958) (Teunke).
In 1929 waaiden bij een storm twee wieken van de molen. Pogingen om de historische molen gerestaureerd te krijgen mislukten. Toen besloot de heer A. Bökkers het hele bovendeel te slopen en op motorkracht verder te werken.” Na het overlijden van haar man Toon Bökkers (1899-1958) heeft Riek Bökkers-Eertman (1913-1997) de zaak nog jarenlang voortgezet. Tegenwoordig rest van de molen nog het onderste gedeelte dat in 1983 verbouwd is tot een mooie woning. De oorspronkelijke vorm is daarbij behouden gebleven.
In Het Vizier stond op 22 mei 2002 het volgende artikel over de molen:
Voor Ootmarsum was het bezit van een windmolen bijzonder lucratief. Het betekende een grote bron van inkomsten: de boeren uit de omtrek waren vanaf dat moment n.l. verplicht hun graan op de Ootmarsumse molen te laten malen en moesten daar flink voor betalen. De molenaar was in dienst van de stad en kreeg een vast salaris. Hij moest de opbrengst van het malen in geld of in natura aan het stadsbestuur afdragen. In oude geschriften is sprake van benoemingen in 1624, 1671, 1678, en 1731. Het functioneren van een molen is in hoge mate afhankelijk van de wind en daarom werd een molen op een hoog punt even buiten de stad gezet. Was het echter windstil en kwam een boer toch met een voorraad graan, dan was hij verplicht dit minimaal twee dagen te laten staan op straffe van boete in geld of natura.
De stadsmolen stond aan het eind van de huidige Molenstraat. Het financiële belang van de molen nam af nadat in 1811 Tubbergen en in 1818 Denekamp zelfstandig waren geworden. De boeren uit die gemeenten hoefden toen n.l. niet meer verplicht naar Ootmarsum om daar hun koren te laten malen. In 1866 besloot het stadsbestuur om de molen te verkopen. Een driemanschap bestaande uit Gradus Moekotte (1818-1895) (Winkelier Ootmarsum), Gerardus Brunninkhuis (1825-1875) (bakker Reutum) en Johannes Luttikhuis (1819-1869) (landbouwer/tapper) werd eigenaar. Ze zochten naar een bekwame molenaar en in 1867 kwam Johannes Hendrikus Bökkers (1820-1901) uit Weerselo met zijn gezin van 6 kinderen in het molenaarshuis wonen.
In 1873 werden de molen en de woning verkocht aan Johannes Hendrikus Bökkers. Na zijn overlijden werd de molen aan zoon Andreas Bokkers (1853-1912) verkocht. De molen kostte Bökkers Fl. 3196,66. Om niet geheel afhankelijk te zijn van de wind, plaatste hij een motor in de molen. Andreas Bokkers overleed in 1912 en werd opgevolgd door zijn zoon Toon Bökkers (1899-1958). Mede dankzij de motor kon constant worden gemalen en gingen de zaken goed.
In 1929 was er een zware storm waarbij 2 wieken van de molen waaiden.
Herkomst: Heemhuis
Datum: ± 1908


