‘n Pröätke met Wim Essink

Wim Essink

Leeftijd: 66 jaar
Beroep: groothandel in
    textiel

Kenmerk: Ootmarsummer in
hart en nieren.
Zegt daar zelf van:
“Chauvinist”.

“De naam Essink”. Ik heb me laten vertellen dat in archieven deze naam voor het eerst opduikt in 1672 of 1772. Ik val nich oaver 110 jaar. In elk geval een zeer oude naam hier, waar ik toch wel een beetje trots op ben.”

Aan het woord is Wim Essink. We zitten in zijn “fabriek” achter een kopje koffie met een melmöpke.

“’n Pröötke met” Wim Essink doet niet alleen het verleden herleven, maar levert tevens vele komische details en anekdotes op, zoals alleen Wim Essink die weet te vertellen. Het geeft een indruk hoe deze Ootmarsummer tegen het leven aankijkt. Ogenschijnlijk als een levensgenieter, maar wie Wim beter kent, zal ook weten dat hij de dingen weet te relativeren en dat hij erg serieus over bepaalde zaken denkt en spreekt.

“Ik ben in 1918 geboren, de oorlog was nog net niet afgelopen. Dus eigenlijk heb ik twee wereldoorlogen meegemaakt, al was ik me van die eerste natuurlijk niet bewust. Alles wat ik daarvan weet heb ik o.a. van mijn moeder gehoord. Wat me o.a. van die verhalen is bijgebleven is, dat de elektriciteit in die oorlogsjaren (1914-1918) erg gebrekkig functioneerde. Tegen negen uur ’s avonds knipperde de lamp twee keer als waarschuwing en ging dan uit. Dan had je de keuze: of een petroleumlampje aan, of naar bed.

Een van mijn voorouders wordt in 1672 (of 1772) genoemd als koopman. Wat dat betreft zijn we er in die eeuwen niet veel op vooruit gegaan, want koopman ben ik ook nog. Ik had nu toch minstens een of andere winkelketen moeten hebben.

Ik was altijd trots op de naam Essink: een oud Ootmarsums geslacht, snap je? Totdat ik in 1969 in de commissie kwam die zich inzette voor de wederopbouw van de oude kerktoren. In die commissie kwamen we er achter dat de burgemeester, die eind 1838 opdracht gaf de toren af te breken, wel eens een Essink zou kunnen zijn, een voorzaat van mij. Ton bin’k mear gauw still west.

Een korte tijd is mijn familie uit Ootmarsum weg geweest. Mijn grootvader trouwde in Tubbergen met een dochter van Holtel en ging daar wonen. Mijn vader herstelde echter dit “uitstapje” en kwam samen met zijn broer terug. Als Hein en Gerrat Essink begonnen ze aan de Markt (nu foto de Boer) een winkel in kruidenierswaren, manufacturen, graan en veevoeders. Die laatste twee produkten verkochten ze in het pand er naast, waar nu nog is te zien, waar de balk voor het ophijsen van goederen heeft gezeten. Die zaad- en veevoederhandel ging ter ziele toen de ABTB werd opgericht. Dat kwam zo: de pastoor verkondigde vanaf de preekstoel dat alle katholieken hun zaden en veevoeders van de ABTB moesten betrekken en men gehoorzaamde. Zo ging dat in die tijd. Wel kwamen er toen 2 knechts, Berghuis en van Benthem van de ene dag op de andere op straat te staan. Niks aan te doen; de pastoor had gesproken.

Vader’s broer Gerrat begon na enige tijd een manufacturenzaak in het huidige Cremershuis. Vader bleef aan de Markt. Intussen was ons gezin tot 6 kinderen uitgegroeid: Mies, Piet, ik, Ben, Henk en Ine.

Ik kwam op de winkel, maar toen onze ventersknecht wegbleef, nam ik dat werk over: 3½ dag met kruidenierswaren en de rest van de week met textiel.

In die periode haalde ik ook mijn diploma’s. Dat werden er na de mulo-opleiding nogal wat: ijsverkoop, tabak, vleeswaren, kruidenierswaren en dan van de textiel een stuk of vijf: ieder jaar kwam er één bij.

De winkel aan de Markt floreerde goed, maar toch ben ik uiteindelijk op de markt als koopman terecht gekomen. Dat kwam, doordat ik met een partij wol een lelijk strop had. Ik kon een partij goedkope wol op de kop tikken, stuurde Bernard Bodde, de stadsomroeper, rond en binnen de kortste keren was ik de wol kwijt. Ik haalde opnieuw een partijtje en weer met hetzelfde goede resultaat. Overmoedig geworden kocht ik toen de hele partij op, maar merkte toen, dat er in Ootmarsum geen interesse meer was: Ootmarsum zat vol wol. Ik kon gin dröödke mear vekoap’n.

Uit bittere noodzaak ben ik toen met die partij de markten in Denekamp en Hengelo opgegaan en daar lukte het wel. Het beviel me zo goed, dat ik vanaf die tijd vast marktkoopman werd.” Dat de “handel” sindsdien uitstekend is gegaan, is bekend, met name sedert zijn vestiging in de voormalige zuivelfabriek. Is de naam “Nooit gedacht”, die nu nog op het gebouw staat, misschien symbolisch?

OOTMARSUM

Er zijn misschien weinig mensen in Ootmarsum, die zich zo intensief met het gemeenschapsleven hebben bemoeid als Wim Essink. Al zal dat menigeen ontgaan, want bij veel van zijn bemoeienissen vermijdt Wim het om op de voorgrond te treden. “Ik hoal mie geern wat an de kookaant”.

Er is echter één onderdeel, waarbij Wim Essink nadrukkelijk betrokken is, waar hij toch wel een hoofdrol in speelt en dat hem “na an’t hart geet”: de folklore en alles wat daarmee te maken heeft.

“Eigenlijk is alles voortgekomen uit de Boerendansers. Samen met Johan Bank werd deze dansgroep na de tweede wereldoorlog weer nieuw leven ingeblazen en ik mag wel zeggen met succes. Toen Meester ter Hofstede wegging, werd ik leider en ben dat tot op heden gebleven. De waarde van deze dansen, maar ook van de liedjes en voordrachten is, dat er de culturele rijkdom van het verleden uit spreekt en het is de moeite waard om dat te bewaren en uit te dragen.

Dat uitdragen kan b.v. via de VVV en daar ben ik dan ook lange tijd bestuurslid en voorzitter van geweest.

Toen de Stichting Heemkunde werd opgericht, werd ik donateur, zij het niet zo actief. Dat hoeft ook niet; daar zijn weer anderen voor, maar daarom spreekt mij het werk van de stichting zeker aan. Het gaat immers over en voor Ootmarsum!!?? Vele jaren was ik er bestuurslid van.

Vanuit de VVV zijn er meer zaken waarmee ik intensief betrokken ben. Zo heb ik ruim 20 jaar de avondwandeling verzorgd en zat ik vanaf het begin bij de organisatie van de Siepelmarkten.

Ik moet toegeven dat alles hoofdzakelijk met de folklore van Ootmarsum te maken heeft. Nou en? Ik ben toch ook Ootmarsummer, of niet soms? Natuurlijk spreekt ook folklore van elders mij aan, maar toch het meest die welke op onze stad betrekking heeft. Als je dat een vorm van chauvinisme wilt noemen, mij best.

Daarnaast zijn er ook tal van andere verenigingen waar ik lid van was of een bestuursfunctie in vervulde, zoals de Middenstandsvereniging, Harmonie Caecilia (ik leu’w da’k doar ’n paar keer erelid van bin, mear dat wet ze zölf nich), de Carnavalsvereniging De Othmarridders (doar bin ik niks te oald veur; gewoon vedan doon), de vroegere Schuttersvereniging Odemarus, maar ook van de Provinciaal Interkerkelijke Commissie en lange tijd van de Ecclesiagroepen.

Maar het meest trekt me datgene, waarbij Ootmarsum zich manifesteerde in de vorm van folklore, oude gebruiken en dergelijke. Daar tref ik ook altijd die mensen die er hetzelfde over denken en daar kan ik mee praten.

Ik kan mij b.v. niet herinneren dat ik b.v. het vlöggeln en de rondgang van de Nachtwacht heb overgeslagen. Dat zijn onderdelen van het Ootmarsumse leven en daar hoor ik bij, vind ik. Dee dinge goat mie nich mis.

Ik geef toe, al deze dingen kosten een hoop tijd en zakelijk gezien had ik beter ergens anders kunnen wonen, maar al zou ik elders het dubbele hebben kunnen verdienen, dan zou ik nog niet uit Ootmarsum zijn weg gegaan.”

Hoe sta jij tegenover de veranderingen?

??????

Nou, ik bedoel in Ootmarsum en zo.

“Is er eigenlijk zoveel veranderd? Uiterlijk natuurlijk wel, maar in Ootmarsum tref ik nog steeds die mensen die over Ootmarsum dezelfde ideeën hebben als ik en ook, al zijn ze jonger dan ik, ik kan daar mee praten en omgaan. Al dat nieuwe raakt me niet zo, al ben ik realist genoeg om mijn ogen er niet voor te sluiten.

In die zin ervaar ik ook bepaalde veranderingen binnen de kerk. Ik sta persoonlijk niet overal achter. Zo vind ik dat er tijdens een H.Mis te veel afleiding is; je krijgt nauwelijks een moment voor jezelf. Toch ga ik ook wel eens naar een jongerenviering en zie daar ook de goede kanten wel van. Je zou het misschien niet zeggen, maar het geloof speelt een grote rol in mijn leven…. en wieder doo’k doar nich oawer.

Ik heb drie kinderen: Henk, Ans en Wim en 8 kleinkinderen: 2 in Amerika, waar Ans is getrouwd, 2 in Ootmarsum en 4 in Reutum. De oudste van die laatste 4 heet Wim en doar bin ik trots op, dat mag ie geröst wett’n.

Bij Ans kom ik natuurlijk niet zo vaak. Het is zo’n eind weg.

Het liefst zou ik af en toe een week-end gaan, maar je zit er altijd zo’n drie weken aan vast. Dan ben je uitgepraat en loop je kans dat je begint te roddelen.”

Dat laatste zal bij Wim Essink nog wel meevallen, al zou iemand, die hem niet zo goed kent, in die richting kunnen denken.

Het is gewoon zo, dat Wim Essink enorm veel van Ootmarsum en van zijn inwoners weet en die kennis spuit hij graag …en hoe!!!

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1984: ‘n Pröätke met Wim Essink, pagina 33

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast.

Ga naar de inhoudsopgave van 1984
‘n Pröätke met Wim Essink
2026-09-09 03:37:53