De wijkzuster van vroeger
WERKGROEP BUNDELING OUDE VERHALEN
Door persoonlijke omstandigheden, ziekte van een der leden van de groep en twee sterfgevallen in de familie van enkele medewerksters, hebben de dames dit seizoen minder aktiviteiten kunnen ontplooien dan ze van plan waren. Wel zijn de opgenomen banden afgeluisterd, geïnventariseerd en klaar gemaakt om te verwerken tot verhalen.
Ze zijn tot de ontdekking gekomen dat de hoeveelheid informatie op alle gebied, interessant is, maar ook zo veelzijdig dat de uitwerking niet eenvoudig is. Enige verhalen zullen worden uitgewerkt, waarvan er hier al een volgt.
De wijkzuster van vroeger
Ik ga het verhaal schrijven van een hoogbejaarde wijkverpleegster die voor ons haar herinneringen ophaalde. Heel bescheiden was zij en bijna verbaasd, dat wij dit allemaal zo interessant vonden. Maar als U het leest, dan wordt het een klein monumentje en misschien zult U denken: “Ja, zo belangrijk was dit werk…”
Het gaat over Ootmarsum en de omgeving vóór de ruilverkaveling en vóór de kanalisering van de Dinkel.
Het gaat over een wijkzuster (zeg maar streekzuster) op de fiets met een rayon van Ootmarsum naar Agelo, Reutum, Vasse en Mander, langs de Hooidijk tot Tilligte en Lattrop.
In Ootmarsum stond het klooster en dit was dus begin en einde van de fietstochten.
Daar ging de zuster, in haar religieuze dracht (en die vangt veel wind en regen) op de fiets door de stad en het bos en langs de essen.
In de zomer leek het nog wel wat, maar in de winter, als de Dinkel hoog stond dan begon het gevecht met de modder en het water.
De boeren blij als de zuster kwam, bij bevalling of ongeval, bouwden bruggen en plankieren.
In een nacht van storm en regen tobde een moeder met haar ziek kind op een afgelegen hoeve.
De moeder, die de zuster verwachtte, wekte haar man ’s nachts om vier uur.
“Too, man, gao d’r ees oet. ’t Hef ’n heeln nacht a rèègnt, ’t hele weiland steet oonder water, zao kan de zuster nooit bi’j ’t hoes komm’n, doar möj iets an doon.”
De man moppert wat in z’n slaap, maar de vrouw zegt: “Man iej möt d’r oet gaon. De zuster möt komm’n, aanders geet oons dat keend dood.” De man ging aan het werk, zwoegde door tot het licht werd. Daar stond de zuster; ontmoedigd bij het zien van zoveel water wilde zij omkeren, maar in de verte stond de boer te roepen over het water en wees op een keten van planken, over plaggeheuveltjes gelegd.
Wat een karwei moet dat zijn geweest en hij riep, wat ze nauwelijks kon horen en gebaarde: “Zuster, zuster, hier möj langs. Daorgends lig ne greepe, dee kan oe as stut deen’n… en dan möj daorlangs, aower dee gröspoll’n en aower dee plank’n. Zuster, iej möt dee greepe good gebroek’n”.
Zo kwam de zuster bij het huis. Niet altijd ging het goed, eenmaal raakte zij van de weg en kwam in het koude water terecht.
“Aajt vedan” was het parool. In haar natte plunje werkte zij een lange nacht bij een patiënt met longontsteking, “ja, want als religieuze wisselde je toch niet zomaar van kleren destijds”.
In de morgen terug op de fiets naar Ootmarsum, zo ging dat toen… Soms in de nacht, als de dokter uitreed, kon zij mee rijden (hij was een van de weinigen met een automobiel) Oh wee als het mobiel vast zat, dan ging het verder langs halfbegaanbare wegen, met het licht van een lantaarn aan de voet. ’s Morgens ging het werk gewoon door. Ter afwisseling gaf zij de kursus “Huishoudelijke ziekenverzorging”, waarin ook E.H.B.O. en zuigelingenverzorging een plaats hadden.
Deze kursussen hadden zoveel aftrek dat het aantal deelnemers fors verdubbelde tijdens de kursus. Nodig en belangrijk was die ziekenverzorging, want het ziekenhuis was ver en duur en de mensen niet verzekerd.
Het gebeurde, dat ernstig zieken thuis bleven omdat men niet afhankelijk wilde zijn van armbestuur of Vincentius.
Patiënten hadden vaak hoge koorts onder andere bij longontsteking wat veel voor kwam. Zo’n patiënt lag soms op stro in een bedstee onder een zwaar veren kussen met 41 graden koorts….
T.b.c.- patiënten werden in tentjes verpleegd in de tuin. Sanatorium Dekkerswald kostte ƒ 2,50 per dag; als het niet anders kon moest dat soms met dubbeltjes en kwartjes bij elkaar gespaard worden via instanties.
Er is een tijd geweest, dat de baby’s werden grootgebracht met borstvoeding en “beschuut’npap” tot zij konden eten wat de pot schafte.
De gezinnen waren groot en de moeders druk met het huishouden en de tuin; op de boerderij hielp de vrouw mee op het land.
Achter de moeder stond dikwijls „de aole vrouw”. Niet altijd de vriendin van de wijkverpleegsters.
„O man, ze doot meer teggen-woordig dee zuster met heer ni’jerwetse flantuut’n. Dat keend sinaasappelsap of vitamien’n! En in de köölte… as het daor meer nich zeek van wordt”.
Een wijkzuster houdt voet bij stuk…. Kindje in het looprek, soms met gezwollen handjes van de koude, want er was nog het losse vuur, maar altijd met warme voetjes in de kleine klumpkes!
Haar mooiste herinnering?
„Zuster, iej komt zao vaak bie de buur’n, kom toch ok ‘ns keer bie mi’j. Bie de buurvrouw loopt de keender a round ’t jaor en bie mi’j nog nich at ze dree jaor bint?”
Zuster komt binnen; ziet meteen de baby in de wieg, goed ingepakt in de moltónluier en de kamer met de kleine ruiten en het licht gedempt… Tot de verbaasde moeder zegt zij: „Luister moeder, breng het kindje met goed weer naar buiten, telkens langer, uit de wind en in de zon en laat het vrij trappelen en geef het sinaasappelsap of vitamine-druppels in de beschuut’n pap. Na maanden ging zij nog eens kijken. Daar zat moeder, kindje op schoot, maar ziet toe, het stond op de beentjes en veerde op en neer zoals kleine kinderen dat kunnen doen, van hopla, hopla.”
Blij en trots zegt de moeder: „Zuster, zuster, kiek toch ees. Kiek dat keend toch ees. Het spreenk en het dööt. Zuster kiek dan toch… Dat doo ik nig. Dat dööt ’t keend zölf. Het wet a, dat ’t beenkes hef…”
Is er ooit een mooier kompliment gemaakt?
Later reed de zuster op een motor, later waren de boerderijen gemoderniseerd, de ruilverkaveling had gezorgd voor betere wegen en de Dinkel was gekanaliseerd. En nu rijdt een wijkzuster in een auto.
Nасhrift.
Als onze hoogbejaarde zuster, hopelijk na lange tijd, eens voor de hemelpoort staat, dan verwacht ik, dat zij Petrus met een handbeweging ter zijde schuift. Want wijkzusters zijn zeer kordaat.
En dan klinkt het door de zalen: „Ik wet a dat ‘k beenkes heb”.
Zo stapt onze zuster fier, op het hemelse plankier!

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1987, pagina 24: De wijkzuster van vroegerDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 1987 →

