A. Horsthuis: Er zijn beuken en beuken

Er zijn beuken en beuken.
Hoewel wat vroeg dit jaar – het is begin maart – hangt de boom vol katjes, het lijkt wel een hazelaar. Het is echter een beuk. Niet de gewone beuk maar de haagbeuk. Oh ja, zult U zeggen die van een beukenhaag en ten dele hebt U gelijk, want beide laten zich goed tot hagen knippen die de winterdag – zij het verdord – hun blad houden. Officieel heet de gewone beuk Fagus sylvatica en de haagbeuk Carpinus Betulus.
Ze zijn gemakkelijk van elkaar te onderscheiden; de gewone beuk bezit bijna ronde, vlakke bladeren die gaafrandig zijn, terwijl die van de haagbeuk spitser en gewelfd tussen de nerven zijn; hun bladrand is gezaagd. De bekende driekantige beukenootjes zijn de vruchten van de gewone beuk; de zaden van de haagbeuk zijn klein en worden door een driedelig dekblad gedragen, dat als vliegtoestel dient. De gewone beuk komt het meest in Nederland voor, maar het is een verwend heerschap, dat alleen op vruchtbare, het liefst kalkhoudende grond groeit. Als solitair is het een zeer imposante verschijning die tot 40 m hoog kan worden, en met zijn laagste takken bijna tot de grond reikt. In een beukenbos waan je je in een kathedraal; de massieve kaarsrechte stammen lijken op pilaren, die een dicht bladerdak als gewelf dragen dat het licht tot een groenachtig schemer filtert. Het hout van de beuk is licht gekleurd en bevat vrijwel nooit een rode kern, het splijt gemakkelijk maar splintert niet, het werkt erg en is gevoelig voor “witte rot” waardoor het volledig zijn sterkte verliest, de vakman noemt dit “slaap”. Door een warmtebehandeling is het hout in elke gewenste vorm te buigen en is mede daardoor belangrijk voor de meubelindustrie. Beukehout is erg glad af te werken en wordt daarom gebruikt voor schaaftafels en speelgoed. Naast de groenbladige bestaat er ook een roodbladige variëteit, waarvan men weet dat hij rond 1000 na Chr. als mutant van de groenbladige in Zwitserland is ontstaan. Er bestaat zelfs een soort met eikebladvormige bladeren. Ondanks zijn geringe duurzaamheid is uit de geschiedenis bekend dat beukehout in de scheepsbouw gebruikt werd o.a. het Gokstadschip.
Gecreosoteerd beuken wordt als dwarslegger gebruikt en houdt het zo meer dan 60 jaar uit. De haagbeuk wordt niet hoger dan 25 m en heeft een uiterst onregelmatig gevormde stamdoorsnede. Het hout van de haagbeuk is lichtgekleurd en bezit ook géén kern. In tegenstelling tot dat van de gewone beuk is het taai, moeilijk te zagen en te schaven. Meubels werden er dan ook niet van gemaakt, wel houten tandwielen, katrollen en gereedschapsstelen.
Ook het hout van de haagbeuk werkt erg en is weinig duurzaam.
Uit pollenanalyse van veen is gebleken dat de haagbeuk veel eerder in ons land is verschenen dan de gewone beuk, maar toen laatstgenoemde verscheen overheerste hij snel de haagbeuk en zo is het tot nu toe gebleven.
A. Horsthuis
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1989, pagina 19: A. Horsthuis: Er zijn beuken en beukenDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 1989 →

