De Duitse Orde

De Utrechtse Balije van de Duitse Orde gedurende de eerste eeuwen van haar bestaan

Lezing gehouden door Mr. J.H. de Vey Mesdagh, archivaris van de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, ter gelegenheid van de viering van het 25-jarig bestaan van de Stichting tot bevordering van de heemkunde van Ootmarsum en omstreken op zaterdag 18 mei 1991.

Tijdens de eerste grote kruistocht (1096-1099) had Godfried van Bouillon en zijn kruisvaarders Jeruzalem en het heilige land veroverd. Een 90 jaar later werd vrijwel alles weer heroverd door Saladin, de sultan van Egypte en Syrië. Alleen om de stad Akko, de sleutel tot het heilige land, werd nog gevochten. Dit alles veroorzaakte een geweldige beroering in de toenmalige westerse wereld. Keizers en koningen, zoals Frederik Barbarossa, Philip August en Richard Leeuwenhart, maakten zich op tot een tegenactie. De derde kruistocht (1189-1192) ging van start. Deelnemers waren Duitsers, Engelsen en Fransen, maar ook Friezen, Geldersen, Hollanders en Vlamingen onder hun respectievelijke graven.

Het resultaat was dat Akko werd bevrijd, maar Jeruzalem niet. Wel waren de kruisvaarders doorgedrongen tot voor Jeruzalem, waar Richard Leeuwenhart een bestand kon afdwingen waarbij de heilige plaatsen werden vrijgegeven voor bezoek door de pelgrims.

Tijdens de gevechten om Akko had zich nog een ander bijzondere gebeurtenis voorgedaan. Duitse kooplieden uit Bremen en Lübeck, die met hun schepen de kruisvaarders bevoorraadden, hadden bij het slagveld een veldhospitaal met zeildoek van hun schepen ingericht. Zo trad een groep Duitse burgers aan die eerste hulp verleende aan de slachtoffers, die lagen te creperen op het slagveld. Na de bevrijding van Akko werd het hospitaal naar een gebouw in de stad overgebracht en de verzorging der zieken en gewonden overgenomen door een groep Duitse geestelijken. Vooruitlopend op de herovering van Jeruzalem noemden zij zich aanvankelijk de broeders van het hospitaal van Sint Marie der Duitsers in Jeruzalem. In 1198 werd aan deze broederschap een militair-ridderlijk element toegevoegd. Het geheel werd voortaan betiteld als ’Orde der broeders van het Duitse Huis van Onze Lieve Vrouwe van Jeruzalem’, of kortweg de Duitse Orde. Zij bestond in het vervolg uit geestelijk broeders en ridderbroeders, met als opperhoofd een grootmeester. Krachtens de statuten moesten alle broeders de bekende drie geloften afleggen, nl. die van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. De doelstellingen waren bescherming en hulp voor zieken, armen en pelgrims, de verdediging van het heilige land en verbreiding van het christendom.

Na de dood van Saladin werden de heilige plaatsen langzamerhand weer onbereikbaar voor de christenen (tenzij dezen een flink bedrag op tafel legden) en nam de spanning toe. Paus Innocentius riep op tot een nieuwe kruistocht en stuurde afgezanten rond om op te wekken tot deelname. Eén van die opwekkingsbijeenkomsten werd door de pauselijke legaat Oliverius gehouden op een weiland bij Bedum, waarbij zich aan de aanwezigen wondertekenen zouden hebben voorgedaan. Vele duizenden gaven aan de pauselijke oproep gehoor. De vijfde kruistocht (1217-1221) ging van start. Vanuit Holland voer een grote vloot uit, bemand met Friezen, Groningers en Hollanders, maar ook met de graven van Holland, Gelre en Gulick, de bisschop van Utrecht, de koning van Hongarije en een groot aantal Rijnlandse edelen en ridders. Er werd via de Engelse haven Dartmouth en Portugal (waar nog een oefening tegen heidense inwoners plaatsvond) koers gezet naar Egypte om de sultan als beheerder der heilige plaatsen rechtstreeks aan te pakken. De landing vond plaats bij de stad Damiate.

Tijdens de strijd om deze stad konden onze voorvaderen uitgebreid kennis nemen van het indrukwekkende optreden van de grootmeester der Duitse Orde, Herman van Salza, en zijn heldhaftige ridder-broeders. Velen werden daardoor enthousiast voor de Orde en haar idealen, ook onder de Nederlandse deelnemers. Zo schonken nog tijdens het beleg graaf Adolf van den Berg en Sweder van Dingede Sr. goederen aan de Orde in Gelderland, vnl. in Dieren, Dirck van Altena de kerk te Schelluinen bij Gorkum, Graaf Arnulf van Loon een bedevaartskapel te Biesen, Walter Barthout goederen bij Vught en graaf Willem van Gulick goederen te Koblenz. Nog vele schenkingen zouden in de hierop volgende jaren volgen, zoals in 1231 goederen bij Utrecht, geschonken door Sweder van Dingede Jr., (waarmee de grondslag werd gelegd voor de commanderij Utrecht en de latere hoofdzetel van de gelijknamige balije); goederen in Twente in leen gehouden van de bisschop van Utrecht en overgedragen aan de D.O. (waarmee de grondslag werd gelegd voor de commanderij Ootmarsum), vrijdom van belasting en tolgelden, patronaatschappen van vele kerken en kapellen, heergewaden, memorie- en inkoopgelden e.d., alles ter ondersteuning van de christenen in het heilige land en van hen die oorlog voerden ter ere van God en zorg droegen voor hulpbehoevenden en zieken, maar niet in de laatste plaats ten behoeve van het zieleheil der schenkers zelf.

Uit al deze schenkingen zijn voortgekomen een 12-tal commanderijen in de Noordelijke Nederlanden en een dozijn commanderijen om Biesen in de Zuidelijke Nederlanden en het Rijnland. De grote schenkingen van de graven van Holland waren niet alleen bedoeld voor het zieleheil, maar hadden ook een politieke bedoeling. Zo streefden zij de oprichting van een eigen balije na waarin de bezittingen van de Duitse Orde in Holland en Zeeland zouden worden verenigd. Daar dit uiteraard ten koste zou gaan van de Balije Utrecht verzette deze zich daartegen met hand en tand en zocht zij steun bij de centrale overheden van de Orde, welke met succes werden bekroond. De Hollandse opzet ging niet door.

De Orde kende toen al wel een hiërarchisch bestuurssysteem. Aan het hoofd stond een grootmeester. Onder hem ressorteerden de meesters (belast met het toezicht op de zgn. landen), onder hen weer de landcommandeurs (belast met het toezicht op een provincie of balije) en onder hen commandeurs (belast met het beheer van de bezittingen, gelegen binnen een bepaalde kring of commanderij, met een centraal huis, het zgn. Duitse huis, waaraan verbonden een convent van broeders en/of zusters, zoals in Nesse in Friesland, en soms één of meer kerken en kapellen, zoals de Sint Pieterskerk in Leiden, de Sint Pieterskerk te Middelburg en de Sint Nicolaaskerk te Utrecht).

Territoriaal gezien vormden een aantal commanderijen tezamen een balije, een aantal balijen een land, en een aantal landen bv. de Duits Ordensstaat aan de Oostzee (lopend van Dantzig tot de Finse golf). De hoofden van deze eenheden werden bijgestaan door een kapittel bestaande uit geestelijke- en/of ridderbroeders. Een der commanderijen in een balije of land kon tevens als hoofdzetel gaan fungeren.

De eenheid waarin de bezittingen in onze streken waren gelegen werd ‘partes inferiores’ of ‘Nederlanden’ genoemd. Zij strekte zich uit van Groningen tot Metz en van Mechelen via Keulen tot Münster. Zij vormden aanvankelijk een zgn. Duitsordens land onder een meester, die wisselend zetelde in Welheim, Biesen, Utrecht of Koblenz. Het territorium bestond derhalve uit Nederland, België, een deel van Rijnland, Westfalen en Lotharingen. Aanvankelijk lagen in dit gebied enkele verspreide commanderijen met hun bezittingen. Toen dit aantal in de loop van de 13e eeuw sterk toenam, ontstond behoefte aan kleinere bestuurlijke eenheden.

Zo ontstonden nog in diezelfde 13e eeuw in genoemde Nederlanden de balijen van Biesen (c.1300), Utrecht (c1300), Westfalen (1256), Koblenz (1256) en Lotharingen (1245).

Het was onder Dirk van Holland (landcommandeur 1287-1311), zoon van Willem II (graaf van Holland en later Rooms-Koning), dat deze ontwikkeling voor Biesen en Utrecht zijn voltooiing kreeg, met dien verstande dat Dirk de functies combineerde van landcommandeur van de balijen van Utrecht, Koblenz en Biesen. Hij fungeerde tot op zekere hoogte dan ook nog als meester der Nederlanden. Tijdens zijn regiem speelde zich ook een aantal dramatische gebeurtenissen af. Zo ging in 1291 na twee eeuwen het heilige land definitief verloren voor de christenheid (tot generaal Allenby in 1917 tijdens de eerste wereldoorlog een einde maakte aan het Turkse bewind over Palestina) en werd Dirks broer Floris V in 1296 vermoord. In 1334 was Johan van Hoenhorst voorlopig de laatste commandeur die zich meester of commandeur van de Nederlanden noemde.

De meester der Nederlanden verdween van het toneel en in zijn plaats kwam de Meester van de Duitse landen oftewel de Duitsmeester als oppergezagsdragers, waaronder sindsdien ook de Nederlanden zouden ressorteren.

Nog in 1347 werd het buiten de stadssingels gelegen en door oorlogshandelingen geruïneerde Duitse Huis te Utrecht vervangen door een nieuw gebouwencomplex binnen de stadswallen. Bouwheer was de landcommandeur Gosen van Garnaer, die zijn sporen als zodanig al had verdiend te Ootmarsum, waar hij als commandeur een nieuwe kapel bij het Duitse Huis aldaar had laten bouwen.

De vanouds bestaande samenwerking tussen Biesen en Utrecht, bevorderd door het regelmatig terugkerende bestuur van een gemeenschappelijke landcommandeur, zette zich ook in de volgende eeuwen voort. Zo werd door Utrecht financiële bijdrage verleend bij de verplaatsing van de hoofdzetel van de Balije Biesen van Biesen naar Maastricht en droeg de Balije Biesen de in haar bezit gekomen commanderij Dieren over aan de Balije Utrecht.

Niet alleen deze feiten getuigen van die samenwerking maar vooral ook de in de 15e en 16e eeuw tussen beide balijen gevoerde correspondentie. Deze geeft niet alleen een uitstekend beeld van die samenwerking, maar bevestigt ook nog eens de vanouds bestaande samenhang tussen de Balijen in de Nederlanden, dan gepersonifieerd in de zgn. ’Vier Niederländische Landcomptuers’ van Biesen, Utrecht, Westfalen en Lotharingen.

Zij vonden elkaar in hun gezamenlijke moeilijkheden en strijd om hun voortbestaan, die zich vooral in de tweede helft van de 15e eeuw tijdens de ontbinding van het Duitsordensrijk aan de Oostzee en de eerste helft van de 16e eeuw afspeelde. Dit gold ook tijdens de voortdurend wisselende bestuurlijke driehoeksverhouding tussen de balijen Utrecht en Westfalen en de commanderij Ootmarsum, waarbij de oorspronkelijk onder Utrecht ressorterende Commanderij Ootmarsum uiteindelijk werd toegewezen aan Westfalen tot instandhouding van deze wat zieltogende balije.

Expositie”.
Een commandeur der Duitse Orde, Herman van Keppel. Op zijn wapenschild het wapen van de Duitse Orde en het familiewapen. (Afbeelding gemaakt door mevrouw A. Eweg.)
De Duitse Orde
2026-08-31 21:53:49