’n Präötke met Loei Johannink

Voor ons jaarlijks “Präötke” gingen we dit keer naar Loei Johannink, als fietsenmaker voor Ootmarsum en verre omgeving een begrip. In eerste instantie hield hij de boot af. “Ach, wat kan ik oe noe vertelln”, was zijn reactie, maar na enig aandringen en met behulp van zijn echtgenote stemde hij toe.

Louis Johannink (1921-2002) werd op 8 januari 1921 geboren aan de Dwarsstraat waar nu zijn zoon Peter de zaak heeft.
Het was een winkel/woonhuis met daarachter een tuin.

“Moeder zette de kinderwagen vaak in die tuin onder een grote kastanjeboom. Er viel dan met enige regelmaat zo’n kastanje in de wagen. Pas nadat de buren een paar keer de opmerking hadden gemaakt, dat ik zo vaak huilde, had moeder in de gaten, dat ik telkens zo’n kastanje tegen mijn hoofd kreeg”.

Het winkelpand was in tweeën verdeeld door een lange gang en de familie Johannink had zo z’n eigen benaming aan die twee winkelafdelingen gegeven. Links van de gang, dus aan de kant van Stroot was de “Sukkerkaant”, waar hoofdzakelijk kruidenierswaren werden verkocht; het was moeders’ afdeling.

Rechts van de gang werd de “Iezerkaant” genoemd. Daar werden artikelen verkocht als spijkers, sloten, hang- en sluitwerk, maar vreemd genoeg ook sigaren en pijpen. “De muur aan de Iezerkaant bestond nog uit vlechtwerk, aangesmeerd met leem”, weet Loei zich nog te herinneren.

Dan bevond er zich achter de iezerkaant nog een ruimte waar fietsen werden gerepareerd en onderdelen werden verkocht.

“De overkant, waar nu de rijwielhandel en werkplaats is, was toen een smederij. Daar oefenden mijn grootvader en oom Hendrik het vak van hoefsmid uit”.

Maar dat pand werd reeds in 1926 verbouwd.

Firma Johannink
Loei Johannink, zoals Ootmarsum hem kent: efkes ne fiets oetprobearn.

Jacht

Een speciale afdeling was er voor de jacht ingeruimd. Johannink had namelijk vergunning om jachtpatronen te verkopen. “We moesten wekelijks in drie-voud de voorraad op het stadhuis opgeven”, vertelt Johannink. Jagers uit Ootmarsum en omgeving kochten bij Johannink hun patronen en brachten later hun jachtbuit er naar toe. “Wij kochten dan van hen konijnen, hazen en fazanten op. Soms lag een groot deel van de winkel vol”, vertelt hij. Dat wild werd dan in manden gedaan, die met een zak werden dichtgenaaid om dan meegegeven te worden met de vrachtboer.

“We stuurden het wild altijd naar dezelfde poelier, P.J. v.d. Zijen, Javastraat 271, Den Haag. Ik heb dat adres zo vaak opgeschreven, dat ik het nog zonder mankeren kan opnoemen”.

Ook kocht Johannink kievitseieren. De boeren brachten die, waarbij ze de dingen onder de pet bewaarden. “Een grappig gezicht”, vond mevrouw Johannink, die dat ook wel eens zag.

“Als vader de eieren had geschierd (onderzocht of ze ook al waren aangebroed) dan werden ze verkocht. Burgemeester Schimmelpenninck van der Oye was een liefhebber van kievitseieren. Hij woonde toen nog op de Kuiperberg”.

Buren

Loei Johannink kan zich nog vrij goed een aantal buren herinneren. Zo woonde links naast hen een doosjesmaker. De naam is hij vergeten, maar het was familie van Gait Hofsté. Dat huisje kocht Johannink sr. er bij en richtte het in als magazijn. “Het is nu de speelgoedafdeling”, maakt L. Johannink duidelijk. Daarnaast, dus waar Jos Stroot nu woont, woonde aannemer Velthuis en later Aan de Stegge.

Aan ’t Pläske woonden achtereenvolgens “Wassche-Hanna”, Sanders (later Keupink) en Eschendal.

Scholen

Loei Johannink ging naar de openbare lagere school aan de Oostwal, waar hij zich nog onderwijzers herinnert als de meesters Bolmer, Wilms en van der Hout en juffrouw Sophie Schulten. “Toen de Jongensschool (Scheepersschool) was gebouwd, heb ik daar nog één jaar en één maand les gevolgd en ben toen naar de ambachtschool in Almelo gegaan, waar ik de opleiding voor smid/bankwerker volgde”.

Samen met o.a. Johan Smellink en Johan Steinmeijer stapte hij elke morgen weer of geen weer om kwart over zeven op de fiets.

Na de ambachtschool kwam Loei meteen bij zijn vader “in de zaak”, zoals dat tegenwoordig heet. “Voor mij betekende dat ‘in de werkplaats’, waar ik eerst de eenvoudige reparaties moest verrichten, zoals banden plakken”. Hij volgde daarbij ook de cursus voor het Middenstandsdiploma; deze werd toen op de Jongensschool gegeven door H.J.J. Majoor uit Oldenzaal.

Lakken en biezen

Loei heeft het repareren van fietsen van zijn vader geleerd. “Als er tegenwoordig iets aan de fiets kapot is, dan moet er meteen een nieuw onderdeel aan. Is er één trapper stuk, dan is die andere ook ineens niet goed meer en worden er twee nieuwe trappers aangezet. Dat was vroeger niet het geval. Was er van een trapper een rubbertje kapot, dan werd alleen dat rubbertje vervangen”.

Een specialiteit van Johannink was het lakken en biezen van een fiets. Loei weet het gehele proces nog haarfijn te beschrijven en zou het waarschijnlijk nog precies zo kunnen uitvoeren als toen.

Allereerst werd de fiets helemaal uit elkaar gehaald tot in de kleinste details, zoals kogeltjes en spaken. Dan werd de oude lak eraf gebrand en werd alles met petroleum gereinigd. Nadat de grondlak was aangebracht werd de fiets in de oven gezet, waar hij vijf uur bleef. Die oven stond op de verdieping. Hierna werd het frame licht geschuurd, in de zwarte grondlak gezet om weer voor ruim vijf uur in de oven te verdwijnen. Pas na opnieuw een schuurbeurt konden de glanslak en de biezen worden aangebracht. Hierna moest de fiets nog eens twaalf uur in de oven.

Daarna moest alles weer in elkaar worden gezet en was de fiets klaar. Kosten van dit alles ƒ 15,-!!

“De prijzen kun je niet met die van tegenwoordig vergelijken”, zegt Loei. “Ik plakte nog banden voor vijftien cent”.

Aan de “lak- en biesperiode” herinnert nog het opschrift op de winkel in de Dwarsstraat.

Altijd “effn”

Het repareren van fietsen ging in feite de hele week door, inclusief op zondag. Het was de gewoonste zaak van de wereld, dat de mensen, voordat ze zondags naar de kerk gingen, de fiets even bij Loei Johannink in de werkplaats brachten. “Loei wi’j d’r effn ’n paar ni’je speekn inzett’n en den linker trapper piept zo”.

“We waren zondags regelmatig tot twaalf uur ’s middags bezig; de eigenaar van de fiets zat dan binnen bij ons koffie te drinken”, vertelt Loei. Maar dan werden ook inkopen gedaan: kopjes, schoteltjes, rozenkransen, beeldjes, noem maar op.

Verder was de zaterdagmiddag altijd erg druk; dan gingen de mensen biechten.

“Loei wi’j ’t ventiel effn naokiekn en doot mie ok effn ’n lemke in de koplaamp. Ik kom nao ’t biechtn wa wear”.

Loei Johannink: “Het was altijd ‘effn’ bij iedereen. Maar dat liep wel op”.

Loei heeft ook met personeel gewerkt en noemt daarbij H. Meenderink, A. Vos en W. Mentink.

Oorlog

Aan de oorlog heeft de 71-jarige ook zo zijn herinneringen. Prettige, maar ook minder aangename.

Zo kwamen de Duitsers eens met het bevel dat alle nieuwe fietsen moesten worden ingeleverd. Zij moesten rijklaar zijn, maar ze vertelden er bij dat er niet meer hoefde aan te zitten dan strikt noodzakelijk was. “We hebben daarop de pakjesdrager, bellen, lampen en dergelijk eraf gehaald; hadden we dat nog”, herinnert Loei zich.

“Eens kregen we een tip dat iedere fiets zou worden gevorderd. We hebben toen alle klanten gewaarschuwd dat ze hun eigen fiets moesten ophalen. Ook hebben we er een paar in het kippenhok van Aan de Stegge verstopt”, vult mevrouw Johannink aan. Zij durfde het ook aan om bij de Ortskommandant twee fietsen terug te halen, die soldaten van enkele meisjes hadden afgepakt.

In het begin van de oorlog ging Loei naar Enschede om er zijn vakdiploma te halen, maar toen de school bij het grote bombardement was vernield, volgde hij een schriftelijke cursus bij PBNA. Na verloop van tijd moest hij in Wageningen examen afleggen. Hij reisde via Arnhem, waar zijn tante woonde. Zij was de tweede echtgenote van de vader van mevrouw Johannink.

Het was dan ook niets bijzonders dat zij met Loei, nadat deze met zeer goed gevolg het examen had afgelegd, naar Ootmarsum ging op vakantie.

Het verblijf zou echter langer duren, dan de bedoeling was. Haar woonplaats, Arnhem werd namelijk gebombardeerd en zij kon niet meer terug.
Het langere verblijf was voldoende om elkaar beter te leren kennen….
In 1950 trouwden ze en gingen eerst wonen aan de Almelosestraat 49.
Zes jaar later werd de zaak overgenomen.

Butagas

Het woord Butagas zal velen nog bekend in de oren klinken. Al vóór de oorlog werd dat gebruikt voor verlichting.

“Vooral de boeren die buitenaf woonden, hadden geen elektriciteit. Voor verwarming en het koken, gebruikte men hout, maar licht was er niet”, legt Loei uit.

Een zekere Bakker uit Enschede was filiaalhouder en wilde bij Johannink een verkooppunt inrichten.

“Hij heeft eerst in onze werkplaats de verlichting op butagas aangelegd, zodat ik wist hoe het werkte. Daarna kon ik zelf de boer op”, vertelt Loei. Het bezorgen van een bus gas gebeurde in het begin op de fiets en later met de motor; het leverde Loei één kwartje per bus op. Zo maakte hij ritjes naar Reutum, Oud-Ootmarsum en Brecklenkamp.

Dat alles ligt nu al lang achter hem. Loei doet het wat rustiger aan; is zogezegd aan het afbouwen.

“Maar helemaal stil zitten kan ik niet”, zegt hij beslist. De verkoop van fietsen is er niet meer bij, maar Loei heeft nog zo’n 35 rijwielen voor de verhuur.

“En dat is buitengewoon gezellig werk. Je komt met mensen in aanraking en bovendien blijft er altijd wel wat te repareren over”.

Zijn eerste, afwijzende opmerking “Wat kan ik oe noe vertelln” heeft Loei zelf weerlegd; hij is een paar uur nagenoeg onafgebroken aan het woord geweest.

Dwarsstraat 1975
Dwarsstraat 1975

Ben Morshuis

’n Präötke met Loei Johannink
2026-08-31 21:53:48