Wie kent ze nog: Een vreselijk verhaal uit de naoberschap

Paniek heeft hem toen aangegrepen.
Hij droeg haar ijlings naar den put
En met de lippen saamgeknepen
Borg hij het lijk onder de prut.
Men zocht in rogge en in haver.
Men zocht in bosch en veld en hei.
Maar nimmer vond men haar kadaver:
Zomer en herfst gingen voorbij.
’t Werd tijd voor het midwinterblazen.
Weer loeiden hoorns door ’t Twentsche land;
Eén van die hoorns, tot groot verbazen
Klonk anders, huiveringwekkend want
Het klonk als ’t kermen of als ’t gillen
Als ’t wanhoopskrijten van een vrouw
Als men het hoorde moest men rillen:
Wat klonk die stem toch snerpend, rauw!
En alle andere horens zwegen
En ijzingwekkend klonk in het rond:
’Ik heb geen rust in ’t graf gekregen.
Mijn moordenaar loopt nog vrij rond!!’
(straatlied plm. 1900)
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1991, pagina 36: Wie kent ze nog: Een vreselijk verhaal uit de naoberschapDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 1991 →
Wie kent ze nog: Een vreselijk verhaal uit de naoberschap

