“Herleefd verleden” in de Marktstraat

De kunstzaal “Chez moi” van Ton Schulten in het pand Marktstraat 4 kan een schoon voorbeeld genoemd worden hoe het oude in het nieuwe kan blijven voortleven zonder aan karakter te verliezen. De opening van de galerie in 1993 was de bekroning van de renovatie onder leiding van het architectenbureau Dethmers.

Voordat echter de noodzakelijke sloop in 1992 begon, is het historische pand, waarin Bakkerij Wientjes gevestigd was, door de Stichting Heemkunde van onder tot boven op dia’s vastgelegd. Hierbij bleek dat het huis zowel van binnen als van buiten, als het ware vroeg om nader onderzoek van de geschiedenis van dit huis, met het heden als vertrekpunt.

Periode Wientjes

In 1922 kwam Jan Wientjes (1890-1979), de vader van de laatste bakker Antoon Wientjes (1927-2005), door aankoop in het bezit van het huis. Het werd aan hem verkocht door de weduwe van Gerrit Hendrik Oosterwijk (1879-1920), mevrouw Johanna Susanna Bernardina Uges (1878-1949) voor de koopsom van F.6600.-. Wientjes wilde een brood- en banketbakkerij in dit pand beginnen. De koop werd op 4 juli 1922 geregeld door notaris P.J.J. Kleinschmit.

Voordat Wientjes de winkel kon openen moest er wel wat veranderd worden aan het huis. Er diende een oven- en bedrijfsruimte voor de bakkerij te komen. Op de bouwtekening van J.H.Z. Heugels is te zien hoe de muur in de gang werd doorgetrokken, aan de achterzijde ruimte werd gecreëerd voor de bakkerij met oven en de vroegere winkel werd versmald.

Ook de voorzijde werd verbouwd. De pui kreeg een ander aanzien doordat twee kleine ramen tot een grote etalage werden samengevoegd en de voordeur bestaande uit twee helften, werd versmald tot een glazen winkeldeur met duwstang.

Zoals overal, werd de eerste oven voornamelijk met takkenbossen en briketten gestookt. Later werd een nieuwe oven verhit door middel van gasbranders.

Nadat Toon Wientjes de bakkerij van zijn vader had overgenomen, zette hij het bedrijf samen met zijn zuster tot 1992 voort. In 1942 werd de winkel verbouwd en verkleind.

Een zijmuur moest in 1939 vernieuwd worden; de zijmuren bestonden gedeeltelijk nog uit met leem bepleisterde vlechtwerkvakken en vakken met metselsteen gevuld.

Het interieur achter de gepleisterde voorgevel liet het beeld zien van een herenhuis: plafonds met ornamenten versierd en veel binnenbetimmering. De gang was met houtwerk bekleed.

Op de 1e verdieping lag de grote voorkamer met een marmeren schoorsteenmantel op twee halve zuiltjes.

In de nog aanwezige bedstee, ook op de 1e verdieping, zat een kopschot. Dit is de ruimte achter het bed waarin een baby kan liggen.

Op de zolder met dakkapel was een hijswerk aanwezig, bestaande uit een balk met katrol: een houten wiel met gaffels waartussen een dik gevlochten touw liep. Zo konden zakken worden opgehesen die boven werden opgeslagen.

Het dak was afgedekt met oude hollandse pannen, aangesmeerd met kalkspecie.

De toegang tot de diepe kelder bestond uit metselwerk met natuurstenen treden waarbij trasmortel gebruikt was.

Het naar binnenspringende portiek aan de achterzijde gaf toegang tot de geheel geplavuisde gang waarin tussendeuren met glas in lood ramen. Dit alles was uitgevoerd in Jugendstil.

Hijswerk op de meetzolder
Hijswerk op de meetzolder in bakkerij Wientjes aan de kant van de Marktstraat.
Het echtpaar Wientjes
Het echtpaar J. Wientjes, in het portiek aan de achterkant van hun woning aan de Gasthuisstraat. De prachtige smeedijzeren deur zit nu nog in het gerenoveerde pand van Ton Schulten.
Periode Oosterwijk

Voordat Wientjes zijn bakkerij begon was het huis in bezit van de familie Oosterwijk. Deze familie afkomstig van de Veluwe bij ’t Loo, had zich omstreeks 1727 op een watermolen in de buurt van Oud Ootmarsum gevestigd waar papier werd gemaakt.

Een zoon vestigde zich in Ootmarsum en werd lid van het kramers- of koopmansgilde.

In latere jaren bekleedden verschillende leden van de familie Oosterwijk belangrijke functies in het kerkelijk en maatschappelijke leven van Ootmarsum.

De familie was omstreeks de tweede helft van de 19e eeuw door aankoop van de familie Teusse in het bezit van het huis Marktstraat 4 gekomen.

Marktstraat 19e eeuw
De Marktstraat in de tweede helft van de negentiende eeuw

De nieuwe bewoner Johannes Kornelis Oosterwijk (geb. 1847 en overl. 1909) begon hierin een kruidenierszaak. Zoon Gerrit Hendrik (1879-1920) volgde hem naderhand in de zaak op. Naast levensmiddelen had hij ook een winkel in tabaksartikelen, ’de Olifant’ genaamd.

In de tweede helft van de 19e eeuw werd het huis ingrijpend verbouwd. Op een oude foto uit die periode is te zien, hoe de bovengrens van de voorgevel één doorlopend geheel vormde en vooral het gedeelte boven de winkel lager was dan nu het geval is. In het dak aan de rechterzijde zijn op de foto twee uitstekende dakvensters te zien van een achterliggende, in de kap gebouwde kamer. Bij de verbouw is het voorfront verder omhoog getrokken en zijn deze dakvensters vervangen door twee grote ramen, die in de voorgevel zijn opgenomen. Waarschijnlijk kwam toen ook de grote voorkamer op de huidige 1e verdieping tot stand.

Aan de zijde Marktstraat werd het dakvlak doorgetrokken en voegde men de voorkant van de twee afzonderlijke kappen samen. Aan de achterzijde in de Gasthuisstraat is dat daarentegen niet het geval. Vanaf de kerktoren en op een luchtfoto zijn deze twee kappen goed te zien.

In hoeverre er in het verleden sprake kan zijn geweest om twee panden samen te voegen tot één, is de vraag. De bloembakken onder de bovenramen van het uitspringende gedeelte aan de voorzijde wijzen op een woonkamer. De dakkapel daarboven is er tijdens de verbouw later bij gekomen. De achterliggende zolder is toen als pakhuis gebruikt en de zakken konden door dit venster via het hijswerk worden opgetakeld.

De vraag kan gesteld worden of het uitspringende gedeelte in de Marktstraat als bovenkamer eerder aan het huis gebouwd is.

Op de eerste kadasterkaart (1829), sectie A, nr. 663 is de plattegrond identiek met de tegenwoordige situatie.

Kruidenierswinkel Oosterwijk
Het interieur van de kruidenierszaak van de familie Oosterwijk. Achter de toonbank staat zoon Gerrit Jan.k

De achterzijde van het huis in de Gasthuisstraat roept ook veel vragen op. In ieder geval werd ook de achtergevel opgetrokken en in het front werden ramen geplaatst. In het verleden was de gehele gevel te breed om plaats te bieden aan één kap. Het lijkt alsof deze voormuur, aan de hand van het metselwerk en de gebruikte stenen, links en rechts van het portiek in tweeën is gebouwd.

De twee horizontale dammen of randen over de gehele breedte van de achtergevel zijn bij het optrekken van de achtergevel aangebracht. De ramen zijn waarschijnlijk tegelijk met de ramen van de kamer op de 1e verdieping voorzijde aangebracht.

Het is duidelijk, dat het huis door de familie Oosterwijk in de 2e helft van de 19e eeuw ingrijpend is verbouwd.

Door de verbouw kreeg het huis met de hoge voorgevel en het portiek aan de achterzijde de allures van een herenhuis.

Uit de oude foto’s blijkt, dat de verbouw niet direct na aankoop van het huis door de familie Oosterwijk heeft plaats gevonden.

Aangenomen mag worden, dat het pand eerst nog bewoond werd zoals de eerdere eigenaar, de familie Teusse, dit deed.

Periode Teusse

De eerste kadasterkaart van 1829 vermeldt als eigenaar van het huis Marktstraat 4, Sectie A, perceelnummer 663 met een grootte van 1 are en 90 centi-are of 190 m² Jan Teusse, van beroep koopman.

De naam Teusse wordt al vroeg in de historie genoemd; in Vasse en ook in Reutum, was een Erve Teusse. In de 18e eeuw en later, komt de naam Teusse in Ootmarsum veelvuldig voor. Tijdens de volkstelling van 31 oktober 1795 woonde in het ’Marktveerl’n’ Hendrik Teusse met vrouw en drie andere huisgenoten. Hij was koopman en lid van het kramersgilde en woonde zoals verondersteld mag worden in de Marktstraat 4.

Op 14 mei 1855 vindt te Ootmarsum door notaris G.B. ten Pol de vrijwillige scheiding en deling plaats van de nalatenschap van wijlen Johannes Hendrikus Teusse, overleden op 26 januari 1847, zoon van Hendrik Teusse en van beroep winkelier. Zijn weduwe was Adriana Francisca Kirch.

De opbrengst van het in het openbaar verkochte pand in de Marktstraat (kad. nr. 663) was ƒ 2000.-.

Onbekend verleden

Hoe heeft het huis er in de 18e eeuw uit gezien? Onderzoek naar de verdere geschiedenis is praktisch onmogelijk.

Zeker zal de voorzijde in vakwerk gebouwd geweest zijn, zoals dit ook bij de zijmuren het geval was.

Naderhand werd alles in baksteen opgetrokken, zoals dit ook elders bij de aangrenzende percelen werd gedaan.

De bewoning op het perceel nr. 633 is van oude datum. Dit is te zien op de plattegrond van 1560 van Jacobus van Deventer.

De uitslag van een daterings-onderzoek door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg van vakwerkconstructies in 1986, gaf aan dat het hout van de daksporen of spanten eind 1638 gekapt zou zijn. Zij kunnen echter bij de verbouw hergebruikt zijn.

 Slot

Met de huidige renovering van het huis is gelukkig een ’waardig’ pand in de eeuwenoude Marktstraat bewaard gebleven en heeft het met de kunstzaal een dienovereenkomstige, ’waardige’ bestemming gekregen!

Ootmarsum, 1994
Henk Eweg.

Bronnen:
  • Afdeling Gemeentewerken Ootmarsum.
  • Kadastergegevens, Rijksarchief Overijssel Zwolle.
  • Notariële akten, RAO Zwolle.
  • Personalia, Gemeentearchief Ootmarsum.
  • Rijksdienst voor de Monumentenzorg Zeist.
  • Architectenbureau Dethmers Ootmarsum.
  • de heer A. Jansen te Ootmarsum.
  • de heer M.W. Oosterwijk te Deventer.
  • de heer A.F. Wientjes te Ootmarsum.
Literatuur:
  • Jans, J., Landelijke Bouwkunst in Oost-Nederland (Almelo 1967).
  • Jappe Alberts, W., De Middeleeuwse Stad (Bussum 1973).
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1994: Herleefd verleden in de Marktstraat: pand Wientjes, pagina 63

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast.

Ga naar de inhoudsopgave van 1994
“Herleefd verleden” in de Marktstraat
2026-09-09 03:52:48