Pastoor Scheepers: een icoon voor katholiek Ootmarsum

Schoolfoto 1929
Pastoor Scheepers op de foto met de school in Agelo.

Pastoor Scheepers was nauw betrokken bij alle belangrijke activiteiten binnen de parochie Ootmarsum.

Intocht neomist Ben Velthuis.
1950: Pastoor Scheepers met neomist Ben Velthuis

Pastoor Scheepers: een icoon van katholiek Ootmarsum

Markante geestelijke drukt in 33 jaar onuitwisbare stempel op plaatselijke samenleving

Portret van pastoor Scheepers.
Portret van pastoor Scheepers.
Alleen de naam al: pastoor Scheepers. Vijftig jaar na zijn dood wordt in en om Ootmarsum nog steeds met ontzag over de voormalige parochieherder gesproken. Het was vorig jaar een halve eeuw geleden dat pastoor Scheepers van de Simon en Judasparochie overleed. Toevalligerwijs was 2004 ook het laatste bestaansjaar van de school waaraan niet alleen zijn naam was gegeven, maar waarvan hij ook geldt als de voorvechter en oprichter. Pastoor Scheepers dus. Over 33 jaar pastoraat in Ootmarsum van een even markante als eigenzinnige priester en een heuse schoolstrijd die doorklonk tot in de Tweede Kamer.

Het moet een vreemde Pasen zijn geweest in 1954. Heel Ootmarsum en omgeving was zeer onder de indruk van het overlijden – op paaszaterdag – van pastoor Jacobus Johannes Scheepers. Op 80-jarige leeftijd en voorzien van de Heilige Sacramenten. De poaskeerls vlöggelden wel, maar het was anders dan normaal. Er was maar één gespreksonderwerp: ‘De pastoor is dood’. De wetenschap dat pastoor Scheepers niet meer in leven was en de vrijdag daarop, 23 april, zou worden begraven op het parochiekerkhof van Ootmarsum bedrukte iedereen. Aan een pastoraat van liefst 33 jaar was onherroepelijk een einde gekomen. Een einde aan een tijdperk van een priester aan wie de herinneringen bij de oudere inwoners van Ootmarsum en omliggende buurtschappen nog goed in het geheugen liggen en wiens naam natuurlijk onverbrekelijk verbonden zal blijven aan de r.-k. jongensschool van Ootmarsum. Ook al is deze school medio 2004 opgegaan in de nieuwe brede basisschool De Meander en zal ook het markante schoolgebouw aan de Denekamperstraat wellicht de slopershamer niet overleven. De uitvaart en begrafenis van pastoor Scheepers op het kerkhof gebeurden volgens de aloude tradities van het Rijke Roomsche Leven, dus met alle kerkelijke luister van dien. De Simon en Judaskerk was te klein om alle parochianen, belangstellenden en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders die afscheid wilden nemen van pastoor Scheepers een plaats te geven.

De massale belangstelling was niet zo vreemd. De begrafenis van een priester was destijds sowieso al een gebeurtenis op zich. In dit geval helemaal omdat het om een priester c.q. pastoor ging van naam. En die had de eigenzinnige pastoor Scheepers zich in de 33 jaar in Ootmarsum zeker verworven. Pastoor Scheepers was – en is dat nog altijd – een icoon van katholiek Ootmarsum. Een even markante als imposante verschijning als hij – met zijn zwarte hoed of bonnet – door de straten van Ootmarsum liep. Hij drukte een onuitwisbare stempel op de Ootmarsumse samenleving van rond de Tweede Wereldoorlog. Pastoor Scheepers: voor de duvel niet bang en het hart op de goede plaats.

Gezag

Jacobus Johannes Scheepers had als priester en pastoor in zijn tijd grote invloed. Hij wist dat en hij wendde zijn gezag in de praktijk ook aan wanneer hij dacht dat het nodig was. Hij nam daarbij bepaald geen blad voor de mond, al viel dat niet altijd bij iedereen in goede aarde.

Roemrucht zijn de tirades vanaf de preekstoel rechtstreeks gericht aan de beminde gelovigen. Parochianen die niet aan hun financiële verplichtingen voldeden, sprak hij daar tijdens de mis publiekelijk op aan. Het was de tijd dat het verpachten van de kerkbanken nog flink wat geld in het laatje bracht. ‘Er zijn nog altijd mensen’, sprak hij ooit de volgende legendarische woorden, ‘die niet over de brug zijn gekomen. Doen ze dat alsnog dan kunnen we ze weer Bruggink noemen…’

Hij had evenmin pardon met plaatselijke ondernemers die het niet zo nauw namen met de zondagsrust, zoals drankenleverancier Veldboer. Als deze er tijdens de mis weer eens op uittrok met de vrachtwagen en langs de kerk reed dan stopte pastoor Scheepers onverwijld met zijn preek, hief zijn vinger en sprak meer dan eens de gevleugelde woorden: ‘Als ik me niet vergis, daar gaan ze wéér…’

De rechtlijnige Scheepers had het ook niet op vrouwen die zonder hoofddeksel of hoofddoek dan wel met kniekousen in plaats van lange kousen naar de kerk waren gekomen. Dat was tegen de kerkelijke voorschriften. Om dat de bewuste vrouwen te laten weten hanteerde hij een beproefde methode: hij sloeg ze aan de communiebank ijskoud over.

Parochianen die niet geabonneerd waren op de – katholieke – Twentsche Courant maar op een ander, Scheepers niet welgezind dagblad zoals de Tubantia, deed hij nog net niet in de ban. Maar hij riep ze wel publiekelijk tot orde en liet hun wel klip en klaar weten daarvan absoluut niet gediend te zijn. Want een katholiek las immers uitsluitend een katholieke krant. Daar liet hij geen twijfel over bestaan.

Groepsfoto Boerenleenbank.
Pastoor Scheepers temidden van het bestuur van de Boerenleenbank.
Staand vlnr: Gerard ten Oever, Jan Lansink, Johan Schröder, G. Veelers en Bets Heesink.
Zittend vlnr: Meester Horsthuis, pastoor Scheepers en J. Scholten Linde.

In de ogen van pastoor Scheepers waren alleen katholieken goed. De katholieke boeren riep hij daarom ook op alleen in zee te gaan met de katholieke standsorganisatie. Om dezelfde reden heeft hij heel lang de komst van een tweede huisarts in Ootmarsum tegengehouden. Want dat mocht alleen maar een katholiek zijn, en iemand van deze gezindte was niet direct beschikbaar.

De poaskeerls die elk jaar op paaszaterdag bij Scheepers op de pastorie kwamen om te vragen of het Lof op eerste paasdag niet verzet kon worden van half drie naar drie uur ‘ontmaskerde’ hij ter plekke. ‘Want’, zei hij steevast als reactie op deze vraag, ‘daar komen jullie helemaal niet voor.’ Waar de poaskeerls dan wel voor kwamen, maakte hij duidelijk door hun vervolgens stilzwijgend een rijksdaalder te overhandigen, de vaste financiële bijdrage van de ‘pastorie’ voor de instandhouding van de Ootmarsumse paastradities.

Kapelaans

Niet alleen de parochianen maar ook de doorgaans jonge kapelaans die hem werden toevertrouwd, hadden het niet makkelijk bij Scheepers. Kwamen ze bijvoorbeeld te laat van de jeugdbeweging, in casu de verkenners thuis, dan vonden ze de pastoriedeur op slot. Die ging om klokslag tien uur dicht en dus moest de kapelaan aanbellen. De pastoor deed dan zelf open en de begroeting was bepaald niet altijd even hartelijk. De poes van de pastorie, die bij deze gelegenheid ook naar binnen sloop, voegde hij steevast toe: ‘Ook naar de verkenners geweest zeker…’

Neomist Antoon Oude Hengel
16 Augustus 1945: Pastoor Scheepers te midden van de familie oude Hengel tijdens de feestelijkheden rondom de priesterwijding van Pater Karmeliet Antoon oude Hengel

Dopen was aan Scheepers niet besteed. In al die 33 jaar in Ootmarsum doopte hij niet één kind. Daar had hij immers zijn kapelaans voor. Namen als Ottink, Altenburg en Niesink klinken ongetwijfeld menigeen nog bekend in de oren. De kapelaans Altenburg en Niesink waren bijvoorbeeld de oprichters van de scouting. Scheepers kreeg in Ootmarsum liefst 16 kapelaans onder zijn hoede.

Kosters ten tijde van Scheepers waren onder anderen Gerard Tenniglo, de grootvader van Henk en Miep Tenniglo die nog in de oude kosterswoning van weleer aan het Kerkplein wonen. Heden ten dage wordt Miep nog geregeld aangesproken als ‘Miep van de köster’. Koster Tenniglo overleed in 1943 en werd opgevolgd door Hendrik Jansen.

Scheepers was, mede door zijn opstelling, tijdens zijn pastoraat in Ootmarsum zowel gevreesd als geliefd. Hij gold als streng doch rechtvaardig. De pastoor was het prototype van een gezagsdrager binnen de katholieke kerk in de eerste helft van de vorige eeuw: een priester van die tijd. In de kerk, al dan niet vanaf de preekstoel, in vol ornaat de strenge katholieke leer verkondigend; in de pastorie niet wars van de geneugten van het priesterlijke ambt zoals een goede sigaar, een borrel en een goede maaltijd.

Pastorie

Pastorie 1920
Pastorie 1920
De pastoor van Ootmarsum woonde toentertijd in de pastorie aan de Schiltstraat: een groot markant pand met een ommuurde binnenplaats waarin later het bejaardenhuis zou worden gevestigd. De pastorie telde twee grote keukens met daaronder ruime kelders. Daarnaast diverse kamers voor de pastoor, de kapelaans, voor gasten en niet te vergeten voor de pastoorsmeiden Kaatje en Marie. Er was een speciale kamer voor de piano en één waar Scheepers wekelijks een partij schaak speelde tegen toenmalig directeur Reuwer van de Twentsche Damast. Ook waren er spreekkamers voor parochianen.

Pastoor Scheepers beschikte destijds als één van de weinige Ootmarsummers ook over een eigen auto: een achtcilinder Ford waarmee hij zich geregeld door Willem Heisterkamp, of diens zoon Gerrit, naar de aartsbisschop in Utrecht liet brengen. Voor ritjes in de omgeving zat de pastoor zelf achter het stuur. Hij ging met zijn Ford tot in de verste uithoeken van de parochie op huisbezoek.

Pastoor Scheepers in zijn werkkamer in de R.-K. pastorie.
Pastoor Scheepers in zijn studeerkamer in de pastorie.

Bekend zijn ook de twee enorme tuinen van de pastorie: een langs de Westwal en de andere strekte zich uit van de pastorie tot aan de achtertuin van hotel De la Poste. Gerard Broekhuis, die destijds als jongen aan de Kapelstraat naast de pastorie woonde, beschreef ze ooit als ‘De Hof van Eden’. Geromantiseerd natuurlijk en gezien door de ogen van een kind, maar toch. Broekhuis herinnert zich ‘de hoge rode beuken in het grind’ in dat aardse paradijs en de vele fruitbomen. ‘Toegewijde boeren’, relativeert hij, ‘brachten elk jaar enkele karren vol mest in de tuin. Want bidden is mooi, maar met mest weet je wel beter waar je aan toe bent’.

Pastoor Scheepers had één lievelingsgroente: asperges. Voor die tijd heel bijzonder. Hij liet de asperges ‘in een lange dijk van scherp zand’ in de pastorietuin kweken door Bernard Bekhuis. Maar het oogsten, dat deed ‘meneer pastoor’ zelf: sigaar in de mond en een lang, dun mesje in de hand. En het eten ervan vanzelfsprekend ook.

Pastoorsmeiden

Mevrouw Truus Veelers-Wilmes (89) van de Almelosestraat herinnert zich de tijd van pastoor Scheepers nog goed. Zij woonde destijds ook aan de Kapelstraat. Rechtstreeks contact met de pastoor was er echter niet bij. Dat was er wel met de pastoorsmeiden Kaatje en Marie. Dat wil zeggen: ‘We speelden vroeger graag op de stoep voor de pastorie. Niet zelden werden we daar dan weggejaagd door Kaatje. Dat moest ze doen omdat de pastoor niet gestoord wenste te worden tijdens het eten. Kaatje was trouwens heel aardig. Marie daarentegen was heel streng. Zij was de zus van de pastoor en we noemden haar dan ook juffrouw Scheepers.’

Als mevrouw Veelers denkt aan de pastorie en pastoor Scheepers schieten haar de geregelde bezoeken binnen van de kerkmeesters; de leden van het kerkbestuur zoals Grimberg, Essink en Wientjes. Lachend: ‘Steevast gingen ze weer weg met een dikke brandende sigaar. Hadden ze van de pastoor gekregen.’ Wat haar verder bij is gebleven zijn de preken van pastoor Scheepers. ‘Dat kon hij als geen ander. Niet zelden waren het donderpreken, soms om bang van te worden als hij het had over de hel en het vagevuur.’

Marie Dijkhuis-Quaink (83) werd getrouwd door pastoor Scheepers. Zij woonde destijds ‘achter de kerk’ aan het Kerkplein waar haar ouders een winkeltje hadden. ‘We trouwden’, weet Marie Dijkhuis nog, ‘om acht uur ’s ochtends, met een stille mis. Zo ging dat toen. We brachten het eten naar de pastorie en daar gebruikten we de maaltijd, samen met de pastoor. En dat was heel gezellig. Kom daar nu eens om. De pastoor was voor mij een hele lieve man. Daar kan vandaag de dag menig priester een voorbeeld aan nemen.’

Ben Stroot denkt daar wat anders over. In zijn ogen was pastoor Scheepers een norse humeurige man. ‘Als je hem op straat tegenkwam en hem groette zei hij niets, hij gromde alleen wat.’ Stroot was lid van het herenkoor in de tijd van Scheepers. Hij herinnert zich dat de pastoor in zijn eentje als directeur c.q. dirigent alles bepaalde bij het koor. ‘We vergaderden ook nooit als koor. De pastoor regelde immers alles, wij hoefden alleen maar te doen wat hij zei. Er zijn daarom ook geen notulen van vergaderingen in het archief. De eerste dateren uit 1954, van de tijd ná Scheepers dus.’

Herenkoor

Het herenkoor betekende veel voor pastoor Scheepers. Dat kwam ongetwijfeld omdat hij zelf ook uitermate muzikaal was. Een koor dirigeren kon hij als geen ander. Maar ook het bespelen van het orgel was zijn lust en zijn leven. Bekend is dat pastoor Scheepers na het plechtige lof op eerste paasdag ’s middags als een haas het priesterkoor verliet, op de plaats van organist Jan ter Borg ging zitten en het Alleluja den blijden toon inzette. Pastoor Scheepers trok dan letterlijk alle registers open en hij genoot met volle teugen.

De voorliefde voor de Gregoriaanse kerkmuziek is kenmerkend voor pastoor Scheepers. Hij was niet voor niets meerdere jaren voorzitter van de Twentse Korenbond. Frans Tenniglo (70) zijn de muzikale kwaliteiten van Scheepers altijd bijgebleven. ‘Wat kon die man zingen. En niet te vergeten dirigeren. Zelfs als hij de mis deed en voor het altaar stond. Het gebeurde nog wel eens dat het koor tijdens een gezang steeds lager begon te zingen. Maar de pastoor bracht het herenkoor met een juiste inzet weer op de goede toonhoogte. Hij dirigeerde het koor als het ware vanaf het priesterkoor.’

Pastoor Scheepers kwam vaak bij Frans Tenniglo thuis; dat kwam omdat zijn vader penningmeester was van het armenbestuur, waarvan Scheepers voorzitter was. ‘Scheepers was’, knikt Tenniglo, ‘altijd zeer begaan met de noodlijdende parochianen, die konden altijd op hem rekenen. Ook de zieken droeg hij een warm hart toe.’ Hij herinnert zich dat hij als kind met zijn vader meeging naar de kerk om het offerblok achter het altaar leeg te halen. Dat was gevuld met centen van parochianen voor de armen. Tenniglo: ‘Toen het armenbestuur werd opgeheven was er nog geld in kas. Enkele kerkbestuursleden wilden dat geld voor de kerk gebruiken maar daar kwam niets van in. Scheepers zei dat dit geld voor de armen was geofferd en dat het hun daarom ook toekwam. En zo gebeurde het ook.’

In de Tweede Wereldoorlog maakte Scheepers zich sterk voor de komst van ondervoede evacués uit het Westen naar Ootmarsum. Hij bracht ze bij verschillende huisgezinnen onder, ook bij Tenniglo. De Duitse bezetters hadden een kwaaie aan Scheepers in die zin dat ze bij hem op geen enkele medewerking hoefden te rekenen. De onverschrokken pastoor zorgde er hoogstpersoonlijk voor dat aan een arrestatiebevel van de beruchte Sicherheitspolizei geen gevolg kon worden gegeven. Echtgenotes van gearresteerde NSB’ers vingen na de oorlog bot bij hem als ze hem om medewerking vroegen hun man eerder vrij te krijgen. ‘Ik heb ze er niet in (de gevangenis, red.) geholpen en ik haal ze er ook niet weer uit’, placht hij dan te zeggen. De sympathie van Frans Tenniglo voor pastoor Scheepers was en is nog altijd groot. ‘We hebben nog vele jaren na zijn dood een foto van hem op de schoorsteenmantel gehad.’

Zuster Euphemia Groeneveld (84), al meer dan zestig jaar in het klooster van de zusters Franciscanessen van de Heilige Familie in Tilburg en sinds kort in Dongen, heeft pastoor Scheepers nooit vergeten. Zij leerde hem kennen tijdens een even dramatische als ingrijpende episode in haar leven; ze woonde toen in het boerderijtje aan de Oppersveldweg, nu Hezebergweg. An(nie) Groeneveld was nauwelijks zeven jaar toen haar moeder in 1927 plotseling overleed in het gasthuis in Ootmarsum. Haar vader bleef achter met acht jonge kinderen. Ze ziet nog pastoor Scheepers na de begrafenis binnen komen. ‘Tegen mijn vader zei hij dat het beter was dat mijn zus (Lies) en ik naar het weeshuis van de zusters Van Onze Lieve Vrouw gingen in Ootmarsum. Ik hoor het mijn vader nog zeggen: daar komt niks van in, ik zorg voor alle kinderen. Achteraf is dat prima gelukt, maar op dat moment stond het antwoord van mijn vader de pastoor niets aan. Hij is zeker vijf jaar niet meer bij ons op huisbezoek geweest omdat mijn vader hem durfde tegen te spreken. Ja, zo ging dat toen. De pastoor en de burgemeester waren de baas.’

Passiespelen

Het was aan pastoor Scheepers te danken dat Ootmarsum in 1938, net voor de oorlog, kennis kon maken met het fenomeen Passiespelen. Hij gaf een rondreizend Duits toneelgezelschap toestemming om optredens in Ootmarsum te verzorgen. Wim Polman (77) herinnert ze als de dag van gisteren. ‘Ik zie het nog voor me: de oude Alink speelde voor Jezus en moest aan het kruis. En het volk van Jeruzalem maar schreeuwen: aan het kruis met hem, aan het kruis met hem.’

Romeinse Soldaten in de Passiespelen.
Passiespelen 1938. Romeinse soldaten: Vlnr. J. Rockland, H. Floot, B. Johannink, J. Meinders en A. Smellink.
Wim Polman was één van hen. Half Ootmarsum figureerde en speelde wel een of andere rol: als wenende vrouw, als soldaat of als het volk. ‘En’, weet Polman nog, ‘iedereen was ook verkleed. De een nog mooier dan de ander.’ Het toenmalige Vincentiusgebouw aan de Kloosterstraat – later De Klep – fungeerde als kleedkamer.

De Passiespelen werden opgevoerd voor de hoofdingang van de kerk. Een groot deel van het Kerkplein was met jutezakken afgeschermd en ingericht als publieke tribune. De Passiespelen duurden een hele week en waren toen naast het vlöggeln en de Koale Karmis een van de weinige hoogtepunten van dat jaar in Ootmarsum. ‘De Passiespelen’, zegt Wim Polman, ‘waren voor de Ootmarsumse bevolking heel belangrijk. een welkome afleiding in de sombere jaren van vlak voor de oorlog. We beleefden er veel plezier aan. Nog hoor ik het de oude Alink roepen: heer laat deze beker aan mijn voorbij gaan. Had de man die Judas speelde dat op een keer ook maar gedaan, dan had hij niet met een borrel teveel op, op het podium gestaan…’

Frans Grimberg (77) maakte pastoor Scheepers jarenlang van zeer nabij mee als misdienaar. Vele honderden keren diende hij de pastoor tijdens de mis. Het was de tijd dat er doordeweeks ’s ochtends nog drie missen waren: om zeven uur, half acht en acht uur; op de zaterdagavond lof en zondags liefst vier missen. Bovendien was er ’s ochtends voor de eerste mis al gelegenheid om te biechten. Niemand van de misdienaars die het in zijn hoofd haalde om – letterlijk – achter de rug van de pastoor wat te doen wat niet mocht. ‘We durfden ons niet eens om te draaien, want dan zwaaide er wat.’ Grimberg, wiens vader een van de kerkmeesters was, kenschetst Scheepers als een ‘beste man’. ‘Hij was heel plichtsgetrouw, hij hield niet van flauwekul en hij verlangde van ons misdienaars dat ook wij onze plicht deden.’

Zorgzaam was pastoor Scheepers volgens Frans Grimberg ook. Hij illustreert dat met een voorbeeld. ‘Omdat er in de kerk geen verwarming was, was het ’s winters erg koud. Alleen in de sacristie was er verwarming. Maar daar mochten we vóór de mis niet dicht bij komen om ons te verwarmen. Want, zei hij altijd, dan krijgen jullie het straks in de kerk extra koud en dan worden jullie ziek. Hij bedoelde het goed. Na de mis mochten we ons er wel aan verwarmen, net zo lang we wilden.’

Jan Brandehof staan nog altijd de huisbezoeken bij van de pastoor. ‘Dan moesten wij als kinderen weg. In de kamer kwam vervolgens voor de pastoor de jeneverfles op tafel. Onder het genot van een borrel werd daarna van alles besproken.’

Schoolstrijd

Pastoor Scheepers was een autoriteit. Een man van gezag en principes, bovenmatig intelligent, onverzettelijk en begiftigd met een groot doorzettingsvermogen. Als deze eigenschappen hem in zijn leven ooit van pas zijn gekomen dan was dat wel tijdens de roemruchte schoolstrijd in Ootmarsum. Pastoor Scheepers kwam er eind jaren ’20, begin jaren ’30 landelijk mee in het nieuws. De ‘Ootmarsumse schoolstrijd’ kwam na verhitte discussie in de gemeenteraad, brieven naar Gedeputeerde Staten en de commissaris der koningin, zelfs in de Tweede Kamer aan de orde. De landelijke pers stortte zich er bovenop. Maar Scheepers kreeg uiteindelijk wel waar hij zich in die jaren met hart en ziel voor had ingezet: een nieuwe bijzondere katholieke school in Ootmarsum.

De bouw van deze nieuwe school was de inzet van een conflict tussen pastoor Scheepers enerzijds en toenmalig burgemeester jonkheer E. L. M. Th. J. von Bönninghausen anderzijds. De kwestie liep zo hoog op en zette zoveel kwaad bloed dat Von Bönninghausen het katholieke deel van de Ootmarsumse bevolking er de schuld van gaf dat hij in 1939 oneervol als burgemeester was ontslagen. Aan dat ontslag ging heel wat vooraf.

Het begon allemaal met de nieuwe onderwijswet die in 1920 van kracht werd. Deze wet maakte het mogelijk om een bijzondere katholieke school te stichten. De katholieke, protestantse en joodse kinderen gingen in die tijd naar de openbare lagere school aan de Oostwal. Nadat in 1926 aan de Putstraat een nieuwe katholieke meisjesschool in gebruik werd genomen, vond het kerkbestuur onder voorzitterschap van pastoor Scheepers het ook tijd worden voor een katholieke jongensschool. Het kerkbestuur, dat tevens schoolbestuur was, vond een goede aanleiding in het gegeven dat de uit 1876 daterende openbare school of aan vervanging dan wel aan een ingrijpende verbouwing toe was. In 1927 werd de gemeente gevraagd om een krediet waarmee een ‘R.K. Bijzondere Lagere Jongensschool’ gesticht en gebouwd kon worden.

Conflict

De financiële positie van Ootmarsum was toen echter verre van rooskleurig. Burgemeester Von Bönninghausen vond het in dat licht niet verantwoord om geld te gaan uitgeven aan een nieuwe katholieke school. Hij vond dat kon worden volstaan met een – zijns inziens veel goedkopere – verbouwing van de openbare school. Deze opstelling bracht de burgemeester in conflict met de wethouders en de raadsmeerderheid. Want die waren vóór een nieuwe katholieke jongensschool. Wethouder destijds was J. B. Reuwer, directeur van de Twentsche Damastfabriek en schaak- en huisvriend van pastoor Scheepers. Reuwer schaarde zich achter pastoor Scheepers en vierkant tegen burgemeester Von Bönninghausen. Op 31 mei koos de gemeenteraad van Ootmarsum met zes stemmen vóór en één blanco voor nieuwbouw. De financiële gevolgen waren voor de burgemeester echter onaanvaardbaar. Hij deelde de raad mee te overwegen het raadsbesluit ter vernietiging aan de Kroon voor te dragen, hetgeen in december 1928 ook inderdaad gebeurde. Het ongenoegen bij pastoor Scheepers was groot. En dat stak hij niet onder stoelen of banken. De pastoor schroomde niet vanaf de preekstoel duidelijk te maken hoe hij over de kwestie dacht. Daarbij spaarde hij niemand die hem tegenwerkte. Pastoor Scheepers liet zich door niets en niemand uit het veld slaan. Samen met de rest van het kerkbestuur, tevens schoolbestuur, bezon hij zich op een nieuw plan. Diverse landelijke kranten, en zelfs de radio, berichtten over de Ootmarsumse schoolstrijd. Eén krant, De Standaard, schreef dat de schoolstrijd zich afspeelde ‘onder invloed van één geestelijke’. De raadsleden die Scheepers steunden werden afgeschilderd als ‘gewillige slaven van een tirannieken pastoor’.

Pastoor Scheepers was hevig verontwaardigd. De verdachtmakingen weerhielden hem er echter niet van – of spoorden hem misschien juist wel aan – om onverminderd de strijd voort te zetten. In augustus 1930 vroeg het kerkbestuur opnieuw een nieuw krediet aan voor de bouw van een nieuwe vijfklassige katholieke jongensschool. Aan de Denekamperstraat was daarvoor inmiddels de grond verworven. Opnieuw probeerde burgemeester Von Bönninghausen de zaak tegen te houden maar deze keer vergeefs. De raad ging weer akkoord en het kerkbestuur wachtte nergens meer op. Er was al grond en met het positieve raadsbesluit in handen gaf het kerkbestuur de aannemer opdracht onmiddellijk te gaan bouwen. En dat gebeurde. Bovendien verzekerde pastoor Scheepers zich hoogstpersoonlijk van de steun van toenmalig minister Terpstra. Hij had daar graag een lange vermoeiende autorit naar Den Haag voor over. Burgemeester Von Bönninghausen zag in dat verder verzet zinloos was. Hij trok zijn voordracht in om het raadsbesluit door de Kroon te laten vernietigen. De Ootmarsumse schoolstrijd was daarmee gestreden.

Scheepersschool in 1932
8 april 1932: Inwijding en opening van de R.K. Jongensschool aan de Denekamperstraat.
Middenvoor Pastoor J. Scheepers.

Feestdag

Voor katholiek Ootmarsum was 8 april 1932 een grote feestdag. Op deze dag immers werd de nieuwe vijfklassige R.K. jongensschool officieel geopend. Met eerst een plechtige hoogmis en aansluitend de inwijding van de school door deken Scholten. Voor pastoor Scheepers was het een extra feestelijke dag. De opening van de school was niet alleen de kroon op zijn vele werk en niet aflatende strijd maar hij maakte ook nog eens van de gelegenheid gebruik zijn gram te halen op deze en gene die hem hadden gedwarsboomd. Hij verweet een groot deel van de schrijvende pers alleen maar uit te zijn op sensatie en zich te laten leiden door geruchten. ‘Het was goed geweest eens te informeren wie zegt dat het raadsbesluit uitsluitend het gevolg zou zijn van den invloed van één geestelijke. Waarom niet eerst geïnformeerd of dat vreselijke verhaal juist is, dat aan een geestelijk leider zoo’n overheerschend gezag in wereldsche zaken wordt toegekend.’ Hij onderstreepte nog eens dat de gevolgde werkwijze om te kiezen voor een nieuwe school, de beste was.

Schoolfoto 1932
De eerste leerlingen van de R.K. Jongensschool in 1932

Veertig jaar lang werd vervolgens in Ootmarsum gesproken over de R.K. Jongensschool. In 1972 konden ook meisjes terecht in de school aan de Denekamperstraat en werd de naam veranderd in Pastoor Scheepersschool. Pastoor Scheepers kreeg daarmee alsnog de eer die hem toekwam. In 1982 kwam zijn naam in grote letters boven de hoofdingang te staan. Met de verhuizing naar De Meander bestaat weliswaar de naam Scheepersschool niet meer, maar in de harten en herinneringen van velen zal de naam van de school en van deze markante priester ongetwijfeld nog lang blijven voortleven, zoals zijn plek in de plaatselijke historie ook al lang en breed is veiliggesteld. In dat licht gezien is het daarom ook erg vreemd dat er in Ootmarsum nooit een straat is vernoemd naar pastoor Scheepers. Al past dit kennelijk wel in een plaatselijke traditie, want met uitzondering van de Smithuisstraat is er in de stad nooit de naam van een priester als straatnaam gebruikt. Maar tradities zijn er om gebroken te worden, helemaal als er aanleiding toe is. En die is er zeker nu genoeg met het verdwijnen van de Scheepersschool.

In de Simon en Judaskerk herinneren liefst drie fraaie glas-in-loodramen blijvend aan pastoor Scheepers. Die kreeg hij geschonken van zijn parochianen ter gelegenheid van zijn 40-jarig priesterfeest in 1938. De ramen, gemaakt door niemand minder dan de beroemde glazenier Joep Nicolas, werden overigens pas na de oorlog geplaatst.

Gebrandschilderd raam
Gebrandschilderd raam in de R.-K.kerk.
gebrandschilderd raam
Onderschrift van het gebrandschilderd raam geschonken t.g.v. jubileum pastoor Scheepers.
Foto: Carlo ter Ellen

Voor het leven

Pastoor Scheepers werkte tot op hoge leeftijd onvermoeibaar door als parochieherder; hij praktiseerde er niet over met emeritaat te gaan. Dat was voor hem eigenlijk niet meer dan vanzelfsprekend. Deze taakopvatting typeert hem ook: je bent priester voor je hele leven. De ouderdom kreeg echter ook vat op Scheepers. Bovendien liet zijn gezondheid steeds meer te wensen over als gevolg van de suikerziekte waar hij aan leed. Medio 1953 verrichtte hij de laatste officiële handelingen als pastoor. Zijn laatste trouwerij had hij op 16 april van dat jaar en op 20 juni leidde hij voor de allerlaatste keer een begrafenisplechtigheid.

Pastoor Scheepers sleet zijn laatste moeilijke maanden in zijn vertrouwde pastorie aan de Schiltstraat, tot het laatste toe bijgestaan door kapelaan Ottink. Voorjaar 1954 was zijn lichaam op. Op woensdag 7 april werd hij bediend en op die bewuste paaszaterdag ’s avonds om zeven uur sloot pastoor Scheepers zijn ogen definitief.

De begrafenis van pastoor Scheepers op de vrijdag na Pasen 1954 was een gebeurtenis op zich, zo blijkt uit een artikel in de Twentsche Courant – toen nog middagkrant – van vrijdag 20 april. ’s Middags van tevoren werd het lichaam van de overleden pastoor van de pastorie overgebracht naar de kerk. Daarbij werden de Vespers gezongen. De overleden pastoor lag, met de miskelk in zijn handen, opgebaard in een open kist afgedekt met een glazen plaat voor in de kerk. Hoezeer bij leven soms ook gevreesd, vele honderden parochianen trokken langs de baar om daarmee hun overleden parochieherder de laatste eer te bewijzen. ’s Avonds werd het rozenkransgebed gebeden voor de overledene.

Grafsteen

Grafsteen pastoor Scheepers
Grafsteen pastoor Scheepers
De kerk was prachtig versierd met bloemen van bloemist Polman. Dat was trouwens pas mogelijk geworden nadat kapelaan Ottink de parochianen had opgeroepen daarvoor geld te doneren. De requiemmis, vrijdagmorgen om tien uur, was indrukwekkend en werd geleid door deken Van den Berg, geassisteerd door de kapelaans Altenburg en Ottink en de Ootmarsumse priesterzonen Budde en Velthuis. Volgens de Twentsche Courant waren alle oud-kapelaans van Scheepers aanwezig. Met een door twee paarden getrokken lijkkoets werd het stoffelijk overschot van Scheepers naar het kerkhof gebracht waar het werd bijgezet in een nieuwe grafkelder temidden van andere priesters op de Calvarieberg.

Pastoor Scheepers sleet zijn laatste moeilijke maanden in zijn vertrouwde pastorie aan de Schiltstraat, tot het laatste toe bijgestaan door kapelaan Ottink. Voorjaar 1954 was zijn lichaam op. Op woensdag 7 april werd hij bediend en op die bewuste paaszaterdag ’s avonds om zeven uur sloot pastoor Scheepers zijn ogen definitief.

De begrafenis van pastoor Scheepers op de vrijdag na Pasen 1954 was een gebeurtenis op zich, zo blijkt uit een artikel in de Twentsche Courant – toen nog middagkrant – van vrijdag 20 april. ’s Middags van tevoren werd het lichaam van de overleden pastoor van de pastorie overgebracht naar de kerk. Daarbij werden de Vespers gezongen. De overleden pastoor lag, met de miskelk in zijn handen, opgebaard in een open kist afgedekt met een glazen plaat voor in de kerk. Hoezeer bij leven soms ook gevreesd, vele honderden parochianen trokken langs de baar om daarmee hun overleden parochieherder de laatste eer te bewijzen. ’s Avonds werd het rozenkransgebed gebeden voor de overledene.

Grafsteen

De kerk was prachtig versierd met bloemen van bloemist Polman. Dat was trouwens pas mogelijk geworden nadat kapelaan Ottink de parochianen had opgeroepen daarvoor geld te doneren. De requiemmis, vrijdagmorgen om tien uur, was indrukwekkend en werd geleid door deken Van den Berg, geassisteerd door de kapelaans Altenburg en Ottink en de Ootmarsumse priesterzonen Budde en Velthuis. Volgens de Twentsche Courant waren alle oud-kapelaans van Scheepers aanwezig. Met een door twee paarden getrokken lijkkoets werd het stoffelijk overschot van Scheepers naar het kerkhof gebracht waar het werd bijgezet in een nieuwe grafkelder temidden van andere priesters op de Calvarieberg.

Een enorme steen met opschrift bedekt zijn graf naast dat van zijn opvolger, de in 1980 overleden pastoor

Eduard Schweigmann. Een grotere grafsteen dan Scheepers heeft, is er noch op de Calvarieberg noch elders op het kerkhof te vinden. Dit gegeven is symbolisch voor pastoor Scheepers: een halve eeuw na zijn dood ook op zijn laatste rustplaats nog altijd prominent aanwezig in Ootmarsum.

Het bidprentje van pastoor Scheepers is bijzonder. Al is het alleen maar omdat aan de voorkant zijn foto prijkt. Een gebruik dat de laatste jaren in zwang is maar 50 jaar geleden niet.

Bidprentje pastoor Scheepers
Bidprentje pastoor Scheepers
Bidprentje pastoor Scheepers
Bidprentje pastoor Scheepers

Bronnen

Geschiedenis van Kerk en Parochie Ootmarsum, Heemkunde Ootmarsum
Jaarboek 2000, Heemkunde Ootmarsum
Archief Aartsbisdom Utrecht
Onderwijs in Ootmarsum, BMS
Archief Twentsche Courant Tubantia

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 2004, pagina 1: Pastoor Scheepers: een icoon voor katholiek Ootmarsum

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.

Ga naar de inhoudsopgave van 2004 →
Pastoor Scheepers: een icoon voor katholiek Ootmarsum
2026-10-29 06:13:33