Guus Klaas, dorpsonderwijzer in de stad

Jeugd
Gustaaf was een slim kind dat goed kon leren. Na de openbare lagere school mocht hij ‘doorleren’ op de mulo in Oldenzaal. In 1936 behaalde hij het mulo diploma en ging op 8 september 1936 ‘op kostschool’, de kweekschool van de fraters van Utrecht in Hilversum.
Voetbal was in opkomst in die dagen en het verhaal wil dat hij in 1933 als dertienjarige, met een aantal vrienden, besloot om een echte voetbalclub op te richten; de basis voor KOSC werd gelegd.
Een fietstocht
In familiebezit is een bijzonder document; een handgeschreven verslag van een fietstocht door Nederland. In de kerstvakantie van 1940 zit Gustaaf al weg te dromen boven een zelfgemaakt kaartje, om een plan uit te broeden voor de zomer. Hij wordt op 25 april 1941 lid van de ANWB en laat zich uitvoerig informeren door de VVV’s. In de pinkstervakantie krijgt hij een nieuwe fiets. De tocht kan doorgaan.

Ze logeren bij een klasgenoot. Op 25 juli ’s avonds komen ze aan in Tilburg, in de fabrikantenvilla aan het Wilhelminaplein waar zijn moeder, Anna, en meneer Eras hen gastvrij ontvangen. Zijn moeder was een aantal familieleden gevolgd naar Tilburg en had daar een betrekking gevonden als huishoudster. Ze zijn er kind aan huis en maken uitstapjes in de omgeving. Wanneer ze maar de kans krijgen, bezoeken ze de bioscoop. Ze zien veel Duitse films, het is het tweede oorlogsjaar. Van 2 tot en met 6 augustus zijn ze in het zuiden van Limburg. Een citaat: “Spoedig ben ik in een zeer ernstig gesprek gewikkeld met de slagersvrouw, echter, na een kwartiertje blijkt dat zij ’t over de vliegtuigen heeft die ’s nachts zijn over gekomen, terwijl ik over de melk praat die zuur geworden is.”
Maar het landschap is mooi. In het Karmelietenklooster in Merkelbeek bezoeken ze de Ootmarsummer Antoon Oude Hengel (frater Koenraad). Daarna fietsen ze terug naar Tilburg om vervolgens direct door te fietsen naar Twente.
De oorlog
In het verslag van de tocht zien we de bezetting als een gegeven. Er zijn al distributiebonnen. Op een avond zitten ze in Tilburg bij kaarslicht, want de elektriciteit is op. In Rotterdam helpt een vriendelijk iemand hen langs het in puin liggende centrum. De Moerdijkbrug wordt bewaakt en bij Nijmegen brengt een veer hen over de Waal. Maar geen kritische beschouwing of wat voor opmerking dan ook.

Pa woonde in die tijd aan de Walstraat en werkte op het distributiekantoor. Daar leerde hij ook Riky Kouijzer (1927-2003) kennen. Zij was één van de dochters van de plaatselijke postdirecteur. Zeven jaar jonger, maar hij vond haar ongetwijfeld charmant. Ze leende zijn boeken en ze wandelden regelmatig op het Springendal.
Ik citeer uit het stuk ‘Als ik vanavond terugkom’ (Ootmarsum 1940-1945): “Op die leeftijd kende je nog niet zo veel emoties, maar op latere leeftijd merk je dat je er emotioneel toch wel sterk bij betrokken was. Daarom deed je er niet over en zweeg je het ’t liefst dood.” Dan beschrijft hij droevige herinneringen, collega’s die werden opgepakt tijdens een vergadering. Verraad! Een collega, die gefusilleerd werd. Een boodschapper, die nooit over kwam. “Overigens maakten we veel gebruik van koeriersters, jonge meisjes vaak.” Daar hoorde ook mijn moeder bij. Vorig jaar sprak ik één van de jongere zussen van mijn moeder. We keken terug. “Die Riky, die durfde toen alles!”, sprak ze. Het werk in het verzet begon met het verkopen van ansichtkaarten met foto’s van het koninklijk huis. Later was mijn vader druk met het vervalsen van bonkaarten en Ausweisen. Ook noemt hij de overvallen. “Vermoeiend en gevaarlijk was het zoeken naar onderduikadressen. Maar och, je was jong en vrijgezel.”

Het onderwijs
Tussen zijn nagelaten stukken vond ik een kladje, waarop hij uitrekende wat de datum van zijn 25-jarig jubileum zou zijn. Daaruit blijkt dat hij van 1 april 1944 tot 1 april 1945 een aanstelling had in Denekamp. Via Rossum en Agelo heeft hij van 25 april tot 1 januari 1949 een aanstelling in Ootmarsum. Na nog aanstellingen in Vasse, Albergen en Tilligte start hij op 21 augustus 1952 in Rossum. Daar zal hij blijven tot het einde van zijn werkzame carrière.
Gerhard Broekhuis beschrijft in het Jaarboek 2001² de entree van pa in Ootmarsum: “Gelukkig werd de man weldra vervangen door een jongere en vooral plezieriger vakbroeder, die bovendien uit Ootmarsum kwam: meester Gustaaf Klaas, bekend en populair, want hij maakte de opstelling van de KOSC-elftallen en leek in onze ogen zelfs de hele club te runnen. Bij hem in de klas was de sfeer aanmerkelijk luchtiger. Zo gooide hij wel eens (maar niet te onwijs) een liniaaltje of een bordenwisser naar jongetjes die niet bij de les waren.”
Dan heb ik wel een beetje herkenning. Ook oud-leerlingen uit Rossum vertelden ons het verhaal van krijtjes, die ze terug moesten brengen. Allemaal weten ze ook nog te vertellen hoe hij met zijn motor de school in reed. Eén van zijn gevleugelde uitspraken was: “Werken is niet erg, maar er gaat zo veel vrije tijd in zitten.” Geen wonder met al zijn nevenactiviteiten.
Hij had een goede band met zijn collega’s. Twee keer is hij een lange periode door een ongeluk thuis geweest. Het salaris van een onderwijzer was geen vetpot. Ik moest dan, als ik van Oldenzaal terug fietste naar huis, in Rossum langs de school om in een papieren zakje het salaris van pa op te halen. Toen ooit de pastoor van Rossum, als voorzitter van het schoolbestuur, op ziekenbezoek was bij ons thuis, kreeg hij van mijn moeder de wind van voren. Ze zou het op prijs stellen dat voortaan het loon op tijd werd uitbetaald.
Na de tweede ziekteperiode kreeg hij in plaats van de vijfde klas, die hij al die jaren had, de derde klas. Er was een nieuw hoofd, de wereld bestond voortaan óók uit vergaderen. In die periode werd hij definitief afgekeurd.
Huwelijk
Riky Kouijzer was zeven jaar jonger dan hij en 18 jaar oud toen de oorlog voorbij was. Pa was druk met voetbal, met de bevrijdingsfeesten, met de Stichting 1940-1945 en natuurlijk pas begonnen als onderwijzer. Riky wilde kennelijk ook wat van de wereld zien en ging werken in een ziekenhuis in Stavanger (Noorwegen) waar een tante van haar werkte. Toen zij terugkwam was Gustaaf getipt door de Kouijzers: hij stond haar bij de bus op te wachten. Al vrij snel daarna liepen ze eens een blokje om: “Kijk,” zei pa, aangekomen in de Denekamperstraat, “in het huis dat hier gebouwd wordt, gaan wij straks wonen.” Op 15 maart 1951 trouwden ze in de parochiekerk van de HH. Simon en Judas in Ootmarsum; een erehaag van voetballers stond opgesteld.

Dat ze veel kinderen wilden, was duidelijk. Anneke werd geboren in 1952, ikzelf in 1953 (om 12 uur ’s middags en om 3 uur was pa alweer in Zenderen waar KOSC een beker won), Tineke en Wim in 1955, Marian in 1958, Clemens in 1960 en Hans in 1963. Hans werd geboren aan de Commanderiestraat waar de familie in datzelfde jaar naar toegetrokken is.
Wat ik niet genoeg kan benadrukken is, dat hij in al zijn vrije tijd keihard werkte voor Ootmarsum, maar dat het mijn moeder was die op basis van een klassieke verdeling van taken in het huishouden dit allemaal mogelijk maakte. Soms gaf ze ook grenzen aan. Toen ook de dames van het handbal de weg naar de Commanderiestraat hadden gevonden, was het uit met zijn bemoeienissen met de dames; ze bemoeiden zich met háár keuken. Hij was geen bandenplakkende vader. Als we een lekke band hadden, moesten we naar de fietsenmaker. “Wat zou er van de wereld terecht komen als de fietsenmakers hun eigen kinderen gingen onderwijzen?”

Voetbal
Altijd was er voetbal. De elftalopstellingen lagen naast de zwarte telefoon in de gang. Ook mocht je als kind af en toe naar ’t köske’ om een papier te verwijderen of op te hangen. Bij de herstart na de oorlog werd hij leider van de KOSC-junioren en van 1950 tot 1971 was hij verenigingssecretaris. Hoe dat allemaal ging staat uitvoerig omschreven in het jubileumboek van KOSC³ dat in 2008 verscheen. Op veel bladzijden staat zijn foto en/of zijn getypte verslagen, opstellingen of wat dan ook. Ik kan het verhaal, hoe het mis ging, niet beter beschrijven dan Ben Morshuis dat deed in dat jubileumboek. Alleen maar administratief secretaris zijn was niet zijn doel.

In november 1971 legde hij zijn functies neer. Het woord KOSC werd niet meer genoemd. Voerde KOSC een actie om geld te genereren, dan gold: “Aan de deur wordt niet gekocht”. Met de afstand die de tijd mogelijk maakt zou je nu kunnen zeggen, dat terecht geconstateerd werd dat een snel groeiende vereniging niet meer als een verdeeld eenmansbedrijf gerund kon worden. De manier waarop het vertrek in zijn werk is gegaan heeft hem echter diep gekwetst. Ongetwijfeld zal hij ook daarna wel eens teruggedacht hebben aan de mooie herinneringen zoals de kampen met de junioren in Tilburg. Smakelijke verhalen hierover werden al eerder in een jaarboek⁴ gepubliceerd. Een echt hoogtepunt was het KOSC-cabaret. Acht jaren lang was hij degene die de algemene leiding in handen had. De rekwisieten lagen bij ons op zolder, zodat we konden spelen met een telefoon, echte zwaardgevechten konden houden en ons konden verkleden als ridder of spook.
Maar er was meer
Maar er was meer! Hij zong, in de fotoalbums zie ik het koor Bene Cantate. Elke zondag om half 10 het herenkoor. Op het laatst zong hij niet meer zo hard mee. “Ik heb mijn stem verkocht aan de North State fabrieken”, gaf hij dan als toelichting. Hij vond het vreselijk jammer dat de actie tot herbouw van de kerktoren mislukte. Een groot succes was wel de actie voor de restauratie van het orgel in de kerk.
Graag ging hij op reis. Hij werkte ook voor de busmaatschappij ONOG. Eén van zijn taken was het schrijven en verspreiden van hun blad. Nog mooier was het om reizen te organiseren. Jaren deed hij dat voor de plaatselijke aannemersvereniging. Maar ook voor iedereen die dat wilde, maakte hij een uitgebreide reisbeschrijving, waarin van minuut tot minuut de tijden waren aangegeven.

In de hoelahoep links: Marian Snijders, Ria Groener, Anneke Broekhuis, Elmira (Mieke) Luttikhuis. Hoelahoep rechts: Riet Kamphuis, Miny Groeneveld
In het seizoen was hij druk met het invullen van belastingbiljetten. Van mijn moeder mocht hij van weduwen geen geld vragen: “Vraag maar een liter brandewijn”. Met als gevolg dat na 1 april in onze kelder een rijtje flessen Sevenstern lag.
Samen met Ben Morshuis was hij correspondent van de Tubantia. De krant rekende af per regel, dus was er een belang om veel te schrijven. Eén telefoontje naar een persoon die een vergadering bezocht had, volstond soms om een uitgebreid verslag te maken. Erg was de keer dat hij een verslag had gemaakt, dat ook nog geplaatst werd, van een vergadering die op het laatste nippertje niet doorging…….
Heemkunde
In maart 1956 verschijnt in het tweede nummer van ‘Twènterlaand, Jeu en sproake’⁵ een lezersbrief. “Wat een idee, een Twents maandblad. Geweldig! Dat is nu juist wat er in Twente nog ontbrak. … Wat kunnen op deze manier vele oude dingen opgerakeld en bewaard worden voor het komende geslacht.” Voor onder andere dit blad schrijft hij veel artikelen over Ootmarsum en een aantal verhalen in het Twents. Van het vlöggeln, tot de Nachtwacht en van de kerk tot de Commanderie. In 1972 brengt uitgeverij Witkam ‘Ootmarsum vroeger en nu’ uit. In eigen beheer brengt hij in de jaren 60 een aantal gestencilde boekjes uit.
Enthousiast was hij betrokken bij de start van de Stichting Heemkunde. In de werkgroep geschiedenis werd de plaatselijke historie minutieus vastgelegd. De eerste jaargangen van de jaarboeken schreef hij voor een belangrijk deel vol. Maar ook was hij actief als penningmeester in de werkgroep bibliotheek en gaf hij diavoorstellingen.
Laatste jaren
In zijn laatste jaren beleefde hij buitengewoon veel plezier aan zijn heemkundige activiteiten. In mei 1984 werd hij grootvader van een kleinzoon: Guus III.

“Dat had niet gehoeven”, zei hij vol trots. Nadat mijn moeder ’s avonds twee borrels ingeschonken had, regelde hij zelf de derde en kwam dan wel op zijn praatstoel terecht. De vraag ‘hoe was hij’ zullen een aantal lezers misschien beter kunnen beantwoorden dan ik. Hij was behulpzaam, integerder dan gebruikelijk, tolerant -maar tot zijn grens- vlijtig. Jaren worstelde hij met zijn schildklier die te actief was. Veel te laat liet hij zich in Groningen opereren aan struma. Het gevolg was dat hij lichamelijk als het ware opgebrand was. In november 1989 leek een longontsteking hem teveel te worden. Nog zie ik hem liggen in het ziekenhuis met allemaal slangetjes en kindertekeningen om zich heen. Gelukkig knapte hij weer op maar op 25 april 1990 overleed hij, weer een longontsteking. “Onverwacht, maar niet onvoorbereid” schreven we op het bidprentje.
2. Gerhard Broekhuis, ‘Héé, die rare jongen daar! De school van meester Vogelzang’, Jaarboek 2001, Vereniging Heemkunde Ootmarsum.
3. B. Morshuis, V. Maasswinkel, L. Oude Elberink, H. Bossink, F. Luttikhuis ‘KOSC Jubileumboek 1933-2008’.
4. Marlou Raatgerink, ‘n Pröätke met Jan Schulten’, Jaarboek 2005, Vereniging Heemkunde Ootmarsum en omstreken.
5. Twènterlaand en -leu en -sproake, maart 1956.

