Het Haal


WAT MEN ALLEMAAL AAN “’t HAOL” KAN OPHANGEN
Sinds Prometheus aan de zonnewagen een fakkel ontstak en daarmee het vuur op aarde bracht, is de mensheid daaraan veel waarde gaan hechten. Bij de Grieken werd Hestia de godin van de huiselijke haard en Vesta was dit bij de Romeinen.
Een en ander schoot ons te binnen toen wij naar aanleiding van een grensverdrag uit 1548, waarover te Ootmarsum werd vergaderd, het verloop van die grens nagingen. Het kerspel en het richterambt Ootmarsum grensden in die tijd a.d. Graafschap Bentheim. Deze grensmarkeringen bestonden toentertijd meestal uit objecten, die in het terrein aanwezig waren als bomen, verhogingen, kuilen, dikke stenen en zelfs was een enkele officiële grenssteen aanwezig. In een geval, een huis stond op de grens, dwars door het huis over “’t haol”.
F.F. van Raet van Bögelscamp schrijft in een boekje uit 1805 over deze boerderij het volgende: “Maatman liegt auf der Grenze des Bentheimischen Gerichts Uelsen und des Twentischen Gerichts Ootmarssen, dessen zum Zeichen hängt in der Mitte des Hauses ein Haal, will aber nur die Gerichtsbarkeit seines Gutsherrn Lage erkennen.”
F.F. Raet van Bögelscamp moet dit wel uit eigen waarneming weten, omdat hij met een dochter van Bentinck tot Brecklenkamp was getrouwd, die pal tegenover die boerderij woonde op ± 100 meter afstand.
Henk K. heeft nog met de oude boer Lohuis op Maatman gesproken en deze vertelde hem dat bij hen vroeger in huis het haal als grens gegolden had. Bij de grensvaststelling van 1824, waarbij overal nieuwe grensstenen worden geplaatst kon de grenssteen natuurlijk niet midden in het huis worden geplaatst. Men heeft die echter pal tegen de muur van het huis gezet ter hoogte van de schoorsteen. Deze grenssteen is bij een verbouwing verwijderd en staat nu bij het molenhuisje achter de kerk in Lage.
Dit grensgeval was zo opvallend dat ter plaatse al gauw het gesprek afdwaalde naar de vuurplaats in het algemeen en het belang dat daaraan werd gehecht en nog min of meer gehecht wordt. Ook in de Germaanse oudheid en in de Middeleeuwen stond een onderkomen met stookplaats onder de bescherming van de overheid.
Naast de “gemene vrede” (de door rechtsregels geordende samenleving) sprak men ook over bijzondere “vreden”. Zo kreeg ook de woning (huiselijke haard) een verhoogde rechtsbescherming en werd inbreuk daarop als “huisvredebreuk” gestraft, een woord dat in onze moderne wetgeving nog wordt gebruikt.
Als het iemand gelukte op de markegrond een hut te bouwen, hoewel dat was verboden en de bouwer kans zag een stookplaats aan te leggen, dan mochten de markegenoten die hut niet meer afbreken als er rook uit de schoorsteen kwam of door een gat in het dak.
J.W.M. Gigengack in het 2e nummer jaargang 1964, van het door hem uitgegeven blad Twentse Post: “In het gebied van de Bovenrijn was ieder, die in de marke een eigen huishouding had, markegenoot, of het huis waarin hij woonde zijn eigendom was of niet, was bijzaak. Het ging er om “ne eegen schossteen” te hebben of zoals men ’t daar noemde: “eigen Rauch”.”
Maar, pas op, het bezit van een vuurplaats betekende ook de verplichting tot het betalen van een belasting, die onder de naam vuurstedengeld bekend stond. Het was een oude belasting die geheven werd op stookplaatsen en die nog gelden bleef tot het einde der achttiende eeuw.
De betekenis die oorspronkelijk aan de stookplaats werd toegekend ging kennelijk in de loop der geschiedenis over naar “’t haol”, het instrument waaraan men ketels, pannen en ander kookgerei boven het vuur ophing.
In het boek Twenter laand en leu en lèven van Cato Elderink wordt melding gemaakt van een meisje uit Lonneker dat trouwde met een jongeman uit Alstätte. Toen de bruiloft met alle passende gebruiken was gevierd, werd de bruid naar haar nieuwe woonstee gebracht. Een oude oom, de ouders van de bruidegom waren gestorven, kwam haar bij de deur tegemoet en leidde haar bij de hand naar het “losse vuur”. Zij moest de hand op ’t haol leggen en was daarmee geïnstalleerd tot huisvrouw. Deze gebeurtenis vond dus over de grens plaats, maar ook in Twente was dit gebruikelijk.
Ons lid Jan T. vertelde het volgende verhaal: “Ik zat eens met de oude Jan Brunninkhuis bij de haard te praten. Het is goed zitten bij het warme vuur en zoals dat gaat, het ene verhaal haalde het andere aan. Zo kwamen we ook op de oude gebruiken rond het huwelijk terecht. De oude Jan zei:
Ik heb de vrouw uit Mander. Zij is van Blankenvoort en toen wij getrouwd zijn heb ik mijn bruid naar het haardvuur gedragen. Ik heb haar hand op ’t haol gelegd en daarmee was zij “noesweerdig”, d.w.z. dat zij daarmee in haar rechten als huisvrouw was gesteld en dat was voor ons net zo belangrijk als de kerkelijke huwelijksvoltrekking.”
Tot zo ver het verhaal van Jan.
In het boek van oud-burgemeester van Losser, C.J.A. van Helvoort, getiteld “Losser voorheen en thans” treffen wij de volgende passages aan met betrekking tot het haol.
“Door het aanraken der haol werden tot voor kort (het boek is uit 1926) mondelinge overeenkomsten bezegeld als b.v. de overgave van het erf van vader op zoon. Bij inkomst der bruid of van een nieuwe knecht of meid moesten deze driemaal om de haard heen gaan en de haal aanraken, waarna zij in het gezinsleven waren opgenomen.
Op een geheel ander terrein is het gebruik van “’t haol” als afsluiting van een soort contract ook bekend. Ons oudste lid vertelt daarover het volgende:
“Het is lang gebruik geweest en in mijn jeugd was dat nog, dat wanneer twee buurtschappen een klootschieterswedstrijd met elkaar wilden aangaan, de uitnodiging daartoe een vast ritueel was. De “veuropscheeter” met een of twee man begaven zich naar het huis van de “veuropscheeter” der tegenpartij en ging daar de “kloot ophangen”. Dit ophangen van de kloot met daaraan bevestigd een geschrift waarin de voorwaarden (aantal schutters, aantal schoten en de premie waarom gespeeld zou worden) geschiedde aan “’t haol”. Soms werden de voorwaarden ook mondeling gesteld. Ging de tegenpartij accoord met de voorwaarden dan trok de uitgedaagde partij de kloot van het haol als bewijs dat de wedstrijd werd aangenomen. Het zal heden ten dage wel anders toegaan, want wie heeft er nog een haol?”
Het losse vuur was oorspronkelijk gewoon een kuil in de grond, de “roakkoele”. Soms hield een ijzeren pot zonder bodem of een ijzeren ring het vuur min of meer bij elkaar. Dit soort vuren lagen in het voorste gedeelte van het huis, ongeveer 150 c.m. van de voorgevel zodat men er omheen kon lopen. Het vuur lag binnen het “eerste geboont”. Een geboont is een vak van een gebintwerkhuis tussen twee gebinten. Vandaar het Twentse gezegde: De vrouw en de hoond heurt in ’t eerste geboont, bij de haard dus.
Aanvankelijk, maar dat is lang geleden, zocht de rook zich een weg door kieren en gaten of door een rookgat in het dak. Toen waren er nog geen zolderingen in ’t “losse hoes”. Later kwamen er schoorstenen.
Een dergelijk “los hoes” met haardvuur kennen wij nog uit de jaren omstreeks 1950 in Hertme in normaal gebruik.
Het losse hoes raakte meer en meer in onbruik. Er werd een scheidsmuur aangebracht tussen de woonruimte van mens en dier, die aanvankelijk in dezelfde ruimte verbleven. Bij die doordeling bleef bij de oorspronkelijke “losse huze” de vuurplaats op de oude plaats, binnen het eerste geboont. Bij nieuwbouw boerderijen werd de vuurplaats naar de scheidsmuur verplaatst en dan altijd met schoorsteen. Wij hebben nog verschillende huizen meegemaakt, die in het woongedeelte een of andere kachel hadden en op de deel een los vuur.
Een aardig gebruik dat in een enkele buurtschap, onder meer in Breklenkamp, nog in gebruik is, is het zogenaamde “vuurbeut’n”.
“Toen wij in Breklenkamp kwamen te wonen en wij de naobers van de oude boer hadden overgenomen trok op dezelfde dag de oude boer Westerhof uit de boerderij. Hij werd door de buren verhuisd. Wij kwamen met onze spulletjes aan en troffen daar de boerderij schoongemaakt aan. De kachel was aangemaakt en de koffie stond klaar. Dit alles was gedaan door de vrouwen van de naobers (buren). De mannen waren Westerhof aan het verhuizen. Wij wisten niets van deze hulp en waren blij verrast.”
In de oude tochtige boerderijen moet de vuurplaats wel een grote aantrekkingskracht hebben gehad. Koude en duisternis werden op afstand gehouden. De vrouwen sponnen, de mannen deden daar de dingen waar ze anders niet aan toe kwamen. In deze sfeer ontstaan de “verhalen rond de haard”. Luister naar wat grootmoeder vertelt:
“Bie mien volk (ouderlijk huis) wör zeg dat as ’t in ’n herfst zao jach in de locht (herfststormen) dan is dat de weelde jacht (Wodan met zijn honden). Ie möt nich tegg’r hem roop’n, want dat brengt onheel,
No hadd’n wie bie mien volk ne driesten knecht dee dat wal ees wol zeen. Hee gung nao boet’n en schreeuwde tegg’n de weelde jacht. Wat gebeur’n? De weelde jacht vleug nao binn’n en gung op ’n haolboom zitt’n.”
Het is ons ontgaan hoe deze bloedstollende gebeurtenis is afgelopen. Met deze opengebleven vraag moeten wij maar leren leven. Misschien dat een onzer lezers de moed heeft om het te proberen. De “weelde jacht” zal echter moeite hebben nog een haolboom te vinden.
Tot slot zullen wij het op prijs stellen dat ons andere verhalen en oude gezegden, op de haard betrekking hebbende, worden medegedeeld.
In een Twentse Post van 1967 vonden we het volgende artikeltje dat prachtig aansluit op dit verhaal.
Naar schatting behoort thans ongeveer een kwart van de boerderijen in Bentelo onder het landgoed Twickel, aldus het hoofd van de lagere school – meester J.G. Wegdam (46) – die onze gids is bij een bezoek aan pachter Beernd Jannink (bijgenaamd “Spiekerbeernd”, vrijgezel, 71 jaar), een keuterboertje dat in de archieven van Twickel te boek staat als “Hanenmaatswoner”. Vele jaren geleden bouwde een voorvader van Spiekerbeernd op de onverdeelde markegronden in de nabijheid van het reeds lang verdwenen erve “’n Hanen” klandestien een plaggenhut. “’n Veerkaant van schadden (heideplaggen), ’n loek waor ze in konnen, sporen (daksparren) d’r op en nog wat plaggen…. en iej wadden klaor. Veur zunsopgang mos ’n roak der oet slaon, dan konnen ze oe nich meer verdriew’n”, vertelt de krasse zeventiger, die ondanks zijn hoge leeftijd nog alle werk verricht op zijn eenmansbedrijfje met “twee melkbeeste en zes vetweiders; (A’j mer deur werkt, wo’j wal oold”, luidt zijn devies). De plaggenhut werd in later tijden vervangen door een katerstede in de naaste omgeving, terwijl het tegenwoordige boerderijtje reeds het derde onderkomen vormt sedert de klandestiene woningbouw. In het nabijgelegen schöpke (schuurtje) van Spiekerbeernd hebben zich in de laatste wereldoorlog meer dan 20 onderduikers (ook Joden) schuil gehouden.
De werkgroep Geschiedenis II
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1985, pagina 24: Het HaalDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 1985 →

