Lenie Willemsen: Bladluizen

NATUURSTUDIEGROEP.

Van de tientallen excursies die deze werkgroep houdt was die naar Punthuizen bij Denekamp o.l.v. de heer F. Eissink wel het interessantste. Ze trof zeldzame planten aan in dit blauwgrasland zoals de parnassia en klokjesgentiaan. De groep, heeft de cursus Vogels Kijken en een Groencursus door het I.V.N. gevolgd. Aan de paddeval werd meegewerkt en er is weer gefilmd. Groepsleider is de heer A. Horsthuis, rapportrice mevr. L. Willemsen.

Ten overvloede leverde ze het volgende verhaal.

BLADLUIZEN

Bladluizen hebben zes poten en behoren dus tot de insecten. Volgens een onderindeling behoren ze tot de snavelinsecten. De levenscyclus van de bladluizen is als volgt:

Winter. Overwinteren gebeurt in eivorm; de eieren zitten meestal tussen boomschors.

Voorjaar. De eieren in het boomschors komen uit, er komen jonge bladluizen; deze noemt men STAMMOEDERS. Ze baren 25 levende jongen vivipaar, d.w.z. levend barend d.m.v. partheno genisis = geen bevruchting (maagden dus). Na 8 à 10 dagen komen er van elk weer 25 nieuwe bladluizen. Dat zijn er dan 25 × 25 = 625.

Zomer. Dit gaat het hele zomer zo door.

Najaar. GEVLEUGELDE BLADLUIZEN sexuparen

Bladluizen

In het najaar gaan de laatste generaties weer naar de primaire waard om daar de eieren te leggen in de boomschors. Wordt het voer in de plant waarop ze zitten minder, dan komen er meer gevleugelde bladluizen. Bij vermindering van voedsel krijgen ze een prikkeling waardoor de vleugels beginnen te groeien. Goed vliegen kunnen ze niet; ze houden zich in de lucht en worden zo met de luchtstroom meegevoerd. Ze zijn zelfs op 600 m. hoogte waargenomen. Ze komen op lichte plekken af. Het jonge groen is meestal lichter van kleur dan het oude. In het jonge groen is de sapstroom ook veel groter dan in het oude. Dicht onder de bast lopen de sapstromen die suikers vervoeren. Deze worden aangeboord en hier zuigen ze de sappen uit. De luis brengt in de plant een soort anti-kristalliserings vloeistof. Hierdoor gaan de suikers in de plant niet kristalliseren en kunnen ze gemakkelijker de suikers uit de stam zuigen. Om te leven hebben ze vitaminen en eiwitten nodig. Wat ze opnemen zijn vooral suikers. De te grote hoeveelheid suiker scheiden ze af. Het blad waarop ze zitten en de hele omgeving wordt hiervan kleverig. De huidmondjes van het blad verstoppen. Op de kleverige massa vormen zich zwartzwammen en het hele blad wordt zwart en vies van kleur. Bladluizen op wilde planten is niet zo schadelijk; deze kunnen er wel tegen ook al groeit de plant iets minder goed. Op cultuurplanten is ze wel schadelijk, omdat bij minder gunstige groei de opbrengst achteruit gaat. Ook brengen ze virussen over.


Op de aardappel: bladrol en mozaiekvirus, op bieten: vergelingsziekte. Als bestrijdingsmiddel tegen bladluizen wordt meestal een systemisch middel gebruikt. Dit is een middel dat in de plant wordt opgenomen en in de sapstroom terecht komt waar de bladluis het opzuigt. Veelal gebruikt men hier meta-iso-systox.

Natuurlijke vijanden zijn: kleine zangvogeltjes, larven van Lieve Heersbeestjes, zweefvliegen, gaasvliegen, graaf- en sluipwespen.

Relatie: mieren belust op honingdauw, verspreiden ze en beschermen ze. Ook bijen willen honingdauw. Afgescheiden suikers van de luizen op sparren worden door de bijen opgehaald en omgezet in honing.

 

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1986, pagina 17: Lenie Willemsen: Bladluizen

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.

Ga naar de inhoudsopgave van 1986 →
Lenie Willemsen: Bladluizen
2026-10-24 04:12:45