‘n Pröätke met Hendrik Hesselink
Hij gaat zelf slechts één keer in de twee maanden naar de kapper, kapper Zwart in Oldenzaal.
“Hee knipt mie en ik hem. Mear lao’w earlijk wèèn: wat is d’r bie mie noe nog te knippn?”
Hendrik Hesselink is inderdaad zelf geen goede klant voor een kapper. Als er veel mensen met een dergelijke dunne haardos zouden rondlopen, dan kon Hesselink zijn salon wel sluiten. En dat zou voor hem een ramp zijn.
“A’k niks mear te doon heb, dan is’t mie niks mear weard. Ik kan toch nich ’n heeln dag zittn te leazn of te puzzeln?” zegt Hendrik.
Hij is met kam en schaar, met kwast en scheermes vergroeid. De bijna 81-jarige hanteert deze instrumenten al zo’n 67 jaar en is volgens eigen zeggen de oudste actieve kapper van Nederland. “Laatst stond er een stuk in de krant over een 78-jarige kapper en van hem werd gezegd dat hij de oudste van Nederland was. Ik ben bijna 81 dus reken maar uit”, voert hij als bewijs aan.
Zo lang hij de schaar nog kan hanteren, blijft hij knippen “en natuurlijk zolang er klanten komen”, voegt hij er aan toe.
En die zullen zeker komen.
Waar vind je nog een kapperssalon met een dergelijke nostalgische sfeer en waar je een correcte behandeling krijgt en waar rustige (klassieke en opera-) muziek op de achtergrond klinkt.
Maar ook ga je naar Hendrik om hem “ower vrooger” te horen vertellen. Hij is namelijk een van de inwoners, die nog heeft meegemaakt dat het leven in Ootmarsum zich louter binnen de wallen afspeelde en wat meer is: hij kan het zich nog goed herinneren. Hendrik vertelt ook graag over die tijd.
“Ik wet nog wa……” zo begint hij vaak en dan weet je dat er weer een of andere gebeurtenis van vroeger wordt verteld. Hij heeft weinig aansporing nodig om te beginnen en nauwelijks tussenvragen om door te gaan. Hij is een goede en gezellige verteller.
Maar mag je iets anders van een kapper verwachten?
Hendrik Hesselink, 80 jaar, nog volop in actie. Hier knipt hij zijn zwager, W. Morsink.

Oostenborgh
Hendrik A. Hesselink werd op 24 juli 1910 geboren in de Oostenborgh. Hij was een van de acht kinderen Hesselink, waarvan de anderen waren Wim, Anton, Johan, Ben, Gait, Marietje en Adda.
De familie Hesselink woonde destijds in de Oostenborgh. Om precies te zijn in het pand, waarin voor enkele jaren de brandweerkazerne en momenteel het kantoor van het Samenwerkingsverband Twente is gevestigd. “Ik leuw nich dat dat ziedsträötke van de Walstraot nen naam hef, mear oonze veurdeur zat liek tengower ’t hoes van Koln-Jan (Weustink)”, geeft Hendrik aan.
“Naast ons, in hetzelfde pand woonde eerst Veldboer, Bier-Veldboer; die had een bottelarij”.
Omdat je weet dat er zich (weer) een mooie gelegenheid voordoet om nog meer bewoners-van-toen te achterhalen, vraag je verder.
Hendrik Hesselink noemt ze vrijwel zonder aarzelen op. “Toen Veldboer naar het Kerkplein nr. 7 verhuisde, kwam smid Bernard Jansen naast ons wonen. Deze ging naar het pand hoek Grotestraat/Ganzenmarkt en daarna werd Van Benthem (Tol-Haans) onze buurman. In het grote huis, ook wel Drosten- of Röbkeshoes genoemd, woonde destijds de familie Kamphuis. Kamphoes veurn met hoald en har ’n pearestal in ’n Kearwear”.
Op zijn “wandeling” door de Walstraat “ziet” hij dan in het huidige bibliotheekgedeelte de familie Hagedoorn wonen en daarnaast achtereenvolgens Slot, Mauke ten Brink (nu Dekkers), Jan Hulsink en de marechaussee-kazerne.
Rond de put gaande komt hij langs de woningen van Hendrik Hulsink, Johan Klaas, Willem Floot, de kolenboer (“mear daor woon’ veur de tied Tekkelmeijer”).
In de tijd dat Hendrik Hesselink in de Oostenborgh woonde, was de Keerweer nog echt een straat waar je terug moest keren; hij liep dood.
Wie woonden daar zoal? vraag je dan en Hendrik wandelt verder.
“Mear ik nem earst ’n paa drupkes, want ik hebt ’n luk in’n hals”, verontschuldigt hij zich. Een doosje Potters en een fles hoestsiroop staan binnen handbereik.
“In het pand van Polman woonde eerst Simon ten Brink, daarna mijn oom Frans, die later naar Tilligte ging en toen kwam Polman. Hiernaast woonde Bodde en vervolgens een klein, dubbel woonhuisje waarin Schiphorst-Trui en tante Jeanetje (familie van Kleinschmit) woonden. Dan kwam Franken; deze reed met stenen voor de steenfabriek van Scholten”.
Namen en nog eens namen. Gecombineerd met oude foto’s begint dan zo’n buurt te leven en vult Hendrik Hesselink zo ongemerkt een stukje historische kennis op.
Aan het eind van de Keerweer “ziet” hij allereerst G. Nijmeijer en dan de familie Scholten. Het huis dat de Keerweer echt tot een keer-weer maakte, werd bewoond door Weustink, “bijgenaamd Loop-Graads en daor was Merie Leip (Leildgeb) een dochter van”.
En om de Keerweer volledig te maken: aan de andere kant stonden de paardestallen van Kamphuis en de cichoreifabriek van Bloemen.
Kapper
We komen dan vanzelf weer in de Walstraat bij het geboortehuis van Hendrik terecht, waar zijn vader het kappersvak uitoefende.
“Maar dat leverde niet voldoende op. Daarom werkte hij ook op de pannenfabriek van Bloemen; deze lag aan de Keerweer en grensde aan de Oostwal”. Hendrik vertelt dat zijn vader nooit een kapperscursus heeft gevolgd. “Hij werkte als jongeman bij kwekerij Farwick in Enschede, kreeg daar een kameraad en die was kapper. Dat leek mijn vader ook wel wat en zo is het gekomen” vertelt hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Natuurlijk werden er toen niet zulke eisen gesteld als tegenwoordig. Het kwam vaak neer op eenheidskapsels en scheren.
“Vooral woensdags en zaterdags was het druk. Bij ons achter het huis stond een grote perenboom en daar zaten de klanten dan onder te wachten. Op die beide dagen was het “scheerdag” en dan werd er zaterdags gewerkt van ’s morgens zeven tot ’s avonds elf en zoondaangssmons ok nog vaak tot an’n mirrag”.
En omdat vader de kapperszaak alleen voerde, moesten de kinderen al vroeg helpen. “As wie oet school kwamn en ’t was drok met klaantn, dan mos wie ze vust inzeepn; dan kon oons vaar d’r met ’t mes achteran”, legt Hendrik uit.
School
Zoals destijds de gehele Ootmarsumse jeugd ging ook Hendrik naar de Openbare Lagere school aan de Oostwal, waar nu de parkeerplaats naast Heisterkamp ligt.
Hij kreeg daar les van onder andere de meesters Van der Hout, Groenland en Krom en de juffrouwen Van Griensven en Bruens.
“De laatste meester waar ik bij zat, heette Horsthuis en vanwege zijn respectabele lengte noemden wij hem Lange Harry. Deze man heeft trouwens een geweldige leeswoede bij mij aangekweekt. Als je de rekensommen op tijd en zonder fouten af had, dan kreeg je een boek van hem. Ik had ze meestal als eerste af; vond ze niet zo moeilijk”, zegt Hendrik zonder verwaandheid. “En zo las ik de hele serie uit van Charles Dickens”, zegt hij en noemt er zonder aarzelen een vijftal op.
Op de speelplaats werd er geknikkerd en het spel “ketting-breken” beoefend. Er stond ook een ijzeren pomp op die speelplaats. Daar zat een kettinkje met daaraan een blikken bakje aan, waaruit de jeugd kon drinken.
“Later toen wij ouder waren, werd er gestrekkeld, maar toen de politie op sommige plaatsen centen had gevonden, werd dat spel verboden”.
Hendrik erkent dat hij graag verder had gestudeerd. “Begriep mie good; ik bin dik tevreare, mear a’t ze mie toen hadn vrögt ha’k leewer deurleard, want learn koon’k wa”.
Maar via het inzepen van de klanten van zijn vader kwam Hendrik in het kappersvak terecht. Hij leerde van zijn vader het scheren en dat betekende toen een beste hulp voor Hesselink senior.
Deze dacht toen ook al verder en zocht een geschikt pand om de kapperszaak verder uit te breiden. In 1922 kocht hij daarvoor het huidige pand aan de Grotestraat. “De dames Van der Maas dreven daar een hoedenzaak”, weet Hendrik.
De herensalon kwam op de plaats, waar deze nu nog is. Rechts naast de voordeur werd een kleine sigarenwinkel ingericht en daarachter kwam later een damessalon, waar Hendrik de scepter zwaaide.
Maar daarvoor moest hij eerst de benen onder andermans tafel steken. “Ie möt ’t vak mear earst bie aandern better learn”, zei mijn vader en Hendrik kwam zodoende als 13-jarige bij kapper Kok in Denekamp terecht. Hij bekwaamde zich achtereenvolgens bij de kappers van de Berg in Hengelo, Vlaskamp in Oldenzaal, De Nooy in Almelo en ter Brake in Oldenzaal: “dat is ’n bestn kapper den ik ken; hee is noe a in de 80 en of en too gao’k d’r nog wal ees hen”.
“Bij die eerste kapper werkte ik zo’n 80 uur in de week voor 2 gulden en de kost”, herinnert hij zich.
“Toen ik volgens mijn vader genoeg ervaring had opgedaan, kwam ik thuis, maar volgde nog wel een aantal cursussen. Zo was ik op de eerste Middenstandscursus die er in Ootmarsum werd gegeven; leraren waren Majoor en ter Hofstede. We waren daar met zo’n 20 cursisten en daar leven er geloof ik, nog drie van: Gerrat Bossink, Huub Scholten en ik”.
Hendrik begon met een kleine damessalon, want zijn vader had alles nog op zijn eigen naam. “Hij huldigde het principe: Ie möt oe nich eerder oettrekken, veur a’j nao ber hen gaot”.
Maar daarnaast hielp hij ook in de herensalon, waar de jongelui zich steeds minder door zijn vader wilden laten knippen. “Ze dachn dat mien vaar ’t nich mear zo good kon en kreeg hee de pest d’r ’n betke in en zèè: Laot ze nao de bliksem loopn, door ie ’t alleen mear”.
Hendrik heeft nog een tijdlang hulp gehad van zijn broer Wim, maar het grootste deel van zijn “carrière” werkte hij alleen. Wel had hij nog een damessalon en een parfumerie, die door een paar kapsters werd gerund.
De laatste jaren werkt hij op de “moderne” manier, dat wil zeggen volgens afspraak “en doar he’k ’t drok genog met. Ik hoow toch nich te zegn hoovöl klaantn ik op nen dag heb; ie wet mer nooit”.
In elk geval heeft hij een grote verscheidenheid aan klanten. Het maakt hem niets uit, want hij kan met iedereen en over alles praten. Of dat nu klassieke muziek, wereldpolitiek of internationale geschiedenis is. Van jongsaf aan heeft hij een erg brede interesse, leest veel en vergaarde veel van zijn kennis uit boeken. En op dat alles laat hij dan ook vaak zijn eigen mening los.
Jammer dat je geen opvolger hebt?
“Jao, van de ééne kaant wa, mer van de aandere kaant ok nich. Oons Bennie hef ’n vak kozzn, wat ik gearn har had”.
Zoon Bennie is musicus en geeft piano- en orgellessen aan school en privé. Ook dochter Magda is erg muzikaal, hoewel ze talen studeerde “mear dat geet vaak saamn”, zegt Hendrik.
Toch geeft hij nogmaals te kennen dat hij geen spijt van zijn kappersloopbaan heeft. De muziek is er immers wel in de vorm van talloze platen en muziek-cassettes; hij kan er uren naar luisteren.
Het wordt weer tijd voor een ’n paa drupkes en het is dan ook beter om met het gesprek te beëindigen.
“Komt geröst ’n maol wear”, zegt Hendrik.
Dat doe ik zeker, want mijn haren moeten af en toe worden geknipt en ik wil “ower vrooger” nog veel meer weten.
Ben Morshuis
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1990, pagina 47: ‘n Pröätke met Hendrik HesselinkDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 1990 →

