De familie Cramer, ten Bruggencate en Dommisse
Een vervolg op ‘De Glans der Dagen’
In het jaarboek 2003 is een artikel opgenomen over de roman ‘De Glans der Dagen’ van schrijfster Fré Dommisse. In het artikel wordt de conclusie getrokken dat deze roman zich afspeelt in Ootmarsum en dat in het boek misschien veel bekende personen de revue passeren. Zoals aangekondigd is verder gezocht naar een historische basis voor de personen die in het boek genoemd worden. Dat heeft geresulteerd in een onderzoek naar enkele families uit Ootmarsum in de 19e eeuw.1

Vlnr: pand fam. Greveler, pand fam. Ten Bruggencate, pand fam. Cramer, pand fam. Dijkstra en oude r.-k. pastorie.

De familie Cramer
Bernardus Hermannus Cramer was handelaar en papierfabrikant. Hij had op het Springendal een aantal papiermolens.2 In 1838 huwde hij in Weerselo met de uit die plaats afkomstige Frederica Carolina Wilhelmina Stork. Haar vader was daar predikant. Het echtpaar woonde in Ootmarsum aan de Grotestraat, op het huisnummer K44. Nu wordt het adres aangeduid als Grotestraat 2 en is hier Buijvoets Verlichting gevestigd (voorheen lunchroom Koopmans).
Er werden acht kinderen geboren.
Johanna Adolphina (1839-1906). Zij huwde in 1863 met Wolterus ten Bruggencate (1832-1889), die arts was in Ootmarsum.
Bernard (1840-1892) werd sigarenfabrikant en huwde in 1878 met Fredrika Hermina Johanna Staverman (1850-1922), dochter van de gemeenteontvanger van Ootmarsum. Hij stierf in Amsterdam.
Gerrit Willem (1842-1920) werd aanvankelijk samen met zijn broer Hendrik papierfabrikant, maar stopte hiermee toen hij in 1876 burgemeester werd van Ootmarsum. Dit bleef hij tot 1913. De Cramerstraat is naar hem genoemd. Na het vertrek van de papierfabriek op het Springendal richtte hij daar samen met zijn zoon de wasserij ‘het Springendal’ op. Hij huwde in 1870 met Jacomina Lazonder (1846-1927) uit Denekamp, dochter van het hoofd van de lagere school. Het echtpaar woonde aan de Grotestraat (nu nr. 13, pand G. Bekhuis)3
Maria Arnolda (1844-1925) bleef ongehuwd en woonde bij haar broer Hendrik. Zij stierf dan ook in Wapenveld, gemeente Heerde.
Albertus Hendrik (1846-1917) werd notaris in Edam. Hij trouwde in 1878 in Monnickendam met de uit die plaats afkomstige Dina Adriana Sligcher (1854-1935). Na zijn pensioen woonde hij in Hilversum, waar hij ook overleed.
Hendrik Gerhard Diederik (1848-1925) huwde in 1876 met Anna Johanna Elisabeth de Jong (1851-1879) uit Den Helder. Hij werd net als zijn vader papierfabrikant. In 1884 werd de papierfabriek op het Springendal gesloten en werd in Wapenveld een andere papierfabriek gekocht. Het was de papierfabriek van Gerrevink die op een openbare veiling te koop werd aangeboden wegens faillissement. De aankoop gebeurde met financiële steun van zijn broer Albertus Hendrik, die notaris was in Edam. Zijn vrouw overleed in 1879, toen zij nog op het Springendal woonden. In 1890 hertrouwde hij in Velp met de uit Edam afkomstige Gijsberte Guillelmine Boot (1857-1939).
Gerhard Hendrik (1850-1853)Gerhard Hendrik (1853-1926) trouwde in 1887 in Blokzijl met de uit Ambt Vollenhove afkomstige Maritje Greve (1866-1940). Hij was notaris in Blokzijl en Vollenhove.

De familie ten Bruggencate
Zoals hiervoor al is aangegeven, huwde de oudste dochter, Johanna Adolphina Cramer, in 1863 met de uit Almelo afkomstige Wolterus ten Bruggencate. Hij was van 1859 tot zijn dood in 1889 arts in Ootmarsum. Bij zijn 25-jarige jubileum als arts, op 9 juli 1884, werd hem namens de Ootmarsumse gemeenschap een cadeau aangeboden. Het was een pendule met coupes (slingeruurwerk met slagwerk) en een spiegel. Na zijn dood in 1889 is de weduwe ten Bruggencate-Cramer naar Nijmegen vertrokken, waar ze in 1906 overleed.

De familie ten Bruggencate woonde in de Grotestraat, naast de familie Cramer, in het huis dat in 1998 werd afgebroken ten behoeve van de nieuwbouw van Buijvoets Verlichting. Nu is het adres Grotestraat 4, destijds K43.
In het gezin ten Bruggencate werden zeven kinderen geboren.
Gerrit (1864-1931) werd notaris. Hij heeft o.a. als kandidaat-notaris gewerkt bij notaris Kleinschmit in Ootmarsum en later bij een notaris in Prinsenhage. Hij trouwde met Alida Johanna Bossers (1867-1944) en woonde in Sassenheim.

Christina (1865-1953). Zij huwde in 1890 met Jacobus Dommisse (1859-1900), die van 1888 tot 1891 predikant was in de NH-kerk van Ootmarsum. Zij woonden toen in de pastorie van de NH-kerk aan de Grotestraat.
Fré Wilhelmina (1866-1948) Zij trouwde met Jan Willem Peter Koch (1867-1920) die notaris was in Den Haag.
Maria (1868-1948). Zij trouwde met Jan van der Molen (1869-1931) die arts was, eerst in Monnickendam, later in Vollenhove.
Bernarda (1870-1955). Zij woonde in Nijmegen en was gehuwd met Christiaan Wendelinus Heijdeman (1861-1913).
Bertha (1871-1961). Zij trouwde met Arend Nicolaas Teengs (1861-1916) die wijnhandelaar was in Monnickendam.
Wolterus Johan Adolf (1873-1873), geboren en overleden in 1873
Van het gezin ten Bruggencate is uiteindelijk geen van de kinderen in Ootmarsum of nabije omgeving blijven wonen.

De familie Dommisse
Het gezin Dommisse vertrok in 1891 uit Ootmarsum. Toen de vader in 1900 op 41-jarige leeftijd in Ophemert overleed, bestond het gezin uit 6 kinderen, waarvan onze schrijfster Fré Dommisse de jongste was. Het waren:
Tine (1891-1956), Wolter (1892-1938), Annie (1894-1973), Betsie (1896-1950), Ko (1897-1960) en Fré (1900-1971)
Moeder Dommisse-ten Bruggencate kreeg vanaf haar 32e jaar problemen met haar ogen. Dit leidde er toe dat ze zeer slechtziend werd.
Na het overlijden van haar man, bracht ze als alleenstaande moeder de kinderen groot. In 1904 woonde ze in Kampen, maar de band met Ootmarsum bleef. Uit de nalatenschap van haar vader, Wolter ten Bruggencate, verkreeg ze samen met haar broer en zussen enkele percelen grond, die gelegen waren in het Agelerbroek. Het betrof percelen hakhout, aangeduid als ‘de Eendenkooi’, grenzend aan ‘het Vree’ en een daarnaast gelegen hooiland. In 1904 werd bij kastelein Frowijn in Ootmarsum een veiling gehouden om de genoemde percelen te verkopen.4 Ze werden aangekocht door een groep van 6 Ootmarsumse bakkers, die daarmee wilden voorzien in de behoefte aan hakhout voor hun ovens.5

Het jongste kind, Fré Dommisse (1900-1971), werd op de jonge leeftijd van 17 jaar opgenomen in de Willem Arntsz-stichting in Utrecht, een inrichting voor krankzinnigen. Het was de tijd van de Eerste Wereldoorlog. Ze was overspannen geraakt door het lezen van veel boeken, waarvan ze zich de inhoud erg aantrok. Het was een tijd waarin socialisme, communisme en pacifisme belangrijke onderwerpen waren. Achteraf was pas duidelijk dat ze niet krankzinnig was, maar overspannen. In die tijd wist men echter nog niet goed met het ziektebeeld om te gaan. In de inrichting werd ze zich bewust van de misstanden in de behandeling van patiënten met een geestelijke aandoening.

Fré Dommisse stond bekend als een aardig, bescheiden en sociaal bewogen mens. Naast het schrijven van boeken richtte Fré zich op de aan- en verkoop van allerhande kunst in haar winkel in Doorn, waar ze ook woonde. Onder haar klanten mocht ze onder andere prinses Juliana, de latere koningin, rekenen. Zelf schilderde en tekende ze ook.
Voor de oorlog publiceerde ze nog de boeken ‘Waren wij kinderen’ (1934), ‘Het licht op de drempel’ (1937) en ‘Opdat er kieme’ (1939). Na de oorlog alleen nog ‘De Glans der Dagen’. In 1971 is ze te Doorn overleden.
Fré Dommisse en ‘De Glans der Dagen’
Hierboven werd een beeld geschetst van de Ootmarsumse voorouders en familie van Fré Dommisse. Voor de lezer van haar boek ‘De Glans der Dagen’ is dat belangrijke achtergrondinformatie. In het boek wordt namelijk een beeld geschetst van Ootmarsum zoals het was aan het eind van de 19e eeuw. Er wordt niet alleen een beeld geschetst van het stadje, maar ook van de mensen die er woonden, in het bijzonder de familieleden van de hoofdpersonen. Elke nieuwsgierige lezer zal zich afvragen welke families dat moeten zijn geweest. Nu die betreffende familieleden in beeld zijn gebracht, rijst vervolgens de vraag of de verhalen over de personen in het boek een historische basis hebben.

Tot het overlijden van haar moeder (1953, Doorn), woonde Fré onafscheidelijk samen met haar. Aanvankelijk in Hengelo (Gld.) tegenover haar broer Jacobus (Ko) die daar huisarts was. Later verhuisden ze naar Doorn. Ze zal gedurende die periode van haar moeder veel verhalen uit de overlevering hebben gehoord. Uit de nog aanwezige bronnen binnen de familie is op te maken dat de verhalen over de ooms en tantes in het boek nauwelijks een historische basis hebben. Fré Dommisse heeft verhalen die zij uit de overlevering aangereikt heeft gekregen gekoppeld aan de personen in het boek, zonder dat personen en verhalen feitelijk bij elkaar horen. Zo werd in het boek een mix van feiten en fictie gecreëerd. Toch is een enkele keer wel een aanknopingspunt voor een stukje historie te vinden.
In het boek wordt bijvoorbeeld uitgebreid geschreven over de ongehuwde oom Arnold Verspronck (Cramer), die woonde bij oma Verspronck en maar liefst 98 jaar was geworden. Hij kon zeer fraai poppetjes tekenen en knippen. Hij leert dat ook aan de hoofdpersoon in het boek. Verder worden de geboorte- en sterfdatum op zijn grafsteen beschreven. Op basis van archiefonderzoek zal het hier kunnen gaan om Willem Cramer, die als vrijgezel inwoonde bij zijn broer Bernardus Cramer aan de Grotestraat. Hij werd 90 jaar en overleed in 1883. Het is dus zeer waarschijnlijk dat Christina Johanna ten Bruggencate (1865) hem als kind heeft leren kennen, ze waren immers buren. Overigens bleek dat ook de schrijfster zelf zeer goed overweg kon met het knippen van poppetje uit papier, hetgeen haar moeder dan kennelijk weer op haar heeft overgedragen. De grafsteen met genoemde data heeft werkelijk bestaan op de n.-h. begraafplaats aan de Molenstraat. Het graf was echter niet van Willem Cramer, maar van Jacoba Menger. Daaruit blijkt nog eens dat de schrijfster verschillende zaken naar eigen inzicht heeft vermengd. Net als bij Arnold Verspronck (Willem Cramer), worden in het boek van diverse andere familieleden de geboorte- en overlijdensdata op grafstenen genoemd. Gebleken is dat de data exact passen op de levensloop van enkele Ootmarsummers, maar dat waren niet de eerder beschreven familieleden! Ook hier spelen feiten en fictie dus weer door elkaar.
Verder zijn er bij familieleden van Fré Dommisse geen verhalen (meer) bekend over broers, zussen, ooms en tantes die naar een ver land zouden zijn vertrokken, zoals dat wel in het boek is vermeld. Ook wordt in het boek verteld dat vader notaris zou zijn geweest. Dit is echter niet juist. Vader Dommisse was dominee en vader ten Bruggencate was arts. Wel is uit bovenstaande familiebeschrijving duidelijk geworden dat er in de families diverse notarissen voorkwamen.


Vlnr: Bertha, Marie, Bernarda, Christina en Frederica
In het boek wordt verder melding gemaakt van de vooraanstaande positie van de familie in het stadje. Dat is een juist gegeven, want de familie Cramer was een rijke en invloedrijke familie, terwijl ten Bruggencate als arts, en Dommisse als dominee natuurlijk aanzien hadden binnen de kleine Ootmarsumse gemeenschap in de 19e eeuw.
Tot slot
De roman ‘De Glans der Dagen’ van Fré Dommisse is een zeer lezenswaardig boek, dat al snel zal leiden tot veel herkenning voor iemand die Ootmarsum kent. Uit de vele herkenningspunten blijkt de Ootmarsumse achtergrond van de schrijfster. In het bovenstaande verhaal is, in aanvulling op het artikel in het Jaarboek 2003 van de heemkunde Ootmarsum, een nader beeld geschetst van die Ootmarsumse achtergrond. Het is gebaseerd op bestudering van archiefstukken en mede gebaseerd op informatie uit gesprekken met mensen die haar van zeer nabij hebben gekend. Uit het geschetste beeld kan geconcludeerd worden dat er geen aanwijsbare historische basis is om alle verhalen over personen in het boek te koppelen aan de familieleden die in het boek de revue passeren. De schrijfster heeft, zoals dat gebeurt in een roman, verhalen en personen die zij kende verweven en geprojecteerd op de personen in het boek. Kortom een verhaal dat laveert tussen feiten en fictie.
1 Bij het onderzoek is dankbaar gebruik gemaakt van de informatie die door mevrouw T. Kijne en de heer R. Heskes is aangedragen en beschikbaar gesteld.
2 Een uitgebreide beschrijving van de papierindustrie op het Springendal is te vinden in het jaarboek Heemkunde Ootmarsum 1993, B. Morshuis.
3 Zie ook jaarboek Heemkunde Ootmarsum 2003, Henk Eweg: Kroniek van een Herberg
4 Frowijn had een café aan de Grotestraat, nu nummer 12 (’t Bakhoes van Benthem)
5 HCO, ingang 122, inv. 3267, nr. 7136; inzet dd. 7 juli 1904 en toeslag dd. 21 juli. Percelen kadastraal gemeente Denekamp sectie C nrs. 313 t/m 317. De kopers waren J.G. Hampsink, J.F. Nadorp, J.J. Smudde, J.G. Hendriksen, J.L. Brandehof en J. Grimberg.
Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 2004, pagina 21: De familie Cramer, ten Bruggencate en DommisseDit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.
Ga naar de inhoudsopgave van 2004 →

