
Weerselosestraat 29
Erve Stengman
Dit is de eerste boerderij in Achter Aogel, de Reutumse kant van Agelo. Als Meynardingh was dit erve tot ongeveer 1267 eigendom van Otto Graaf van Bentheim die het aan de Duitse Orde schenkt. Het komt zo bij de bezittingen van de Commanderie Ootmarsum, dat in 1639 door verkoop in handen komt van Johan Diederik van Heijden, voormalig commandeur. Het wordt daarna Huis Ootmarsum genoemd. In de Napoleontische tijd worden de bezittingen van het Huis Ootmarsum op twee openbare veilingen in 1810 en 1811 verkocht.
Meynardingh -Meenderink

De oudst bekende bewoner van erve Meynarding is Lambert Meijnerinck. In 1668 trouwt hij met Aeltien Gervelinck uit Agelo. Het echtpaar krijgt voor zover bekend 4 kinderen. Zoon Geert Meinerinck (*1682) wordt zijn opvolger op de boerderij. Uit zijn huwelijk in 1711 met Fenneken Diekmann (*1686), uit Emden, worden 4 kinderen geboren. Zoon Coert Meinderinck (*1723) op zijn beurt zet het boerenbedrijf voort. Hij treedt in 1749 in het huwelijk met Harmina Engbers uit Nieuwstad. Zij overlijdt al jong na de geboorte van haar 6e kind.
Haar weduwnaar hertrouwt in 1767 met Johanna Roolifshuijs (1746-1813). Samen krijgt het echtpaar nog acht kinderen, waarvan drie dochters al op zeer jonge leeftijd overlijden.
In 1810 koopt Jannes Tuninck (1761-1839), later ook Jannes Meenderink genoemd, het erf uit de bezittingen van het Huis Ootmarsum . Hij was in 1805 gehuwd met Joanna Menerink (1782-1815), dochter van Coert Meinderinck (*1723) en was bij zijn vrouw ingetrokken op de boerderij. Zij krijgen samen 6 kinderen waarvan er vijf al jong overlijden. Joanna sterft in 1815 kort na de geboorte van een tweeling. Jannes hertrouwt twee jaar later op 56-jarige leeftijd met de 22-jarige Maria Oude Deiperink (1794-1844). Vermoedelijk was zij dienstmeid in het gezin. Samen krijgen zij nog 7 kinderen, die de achternaam van het erf, Meenderink, krijgen.
Jannes verkoopt zijn erf voor 1832. Bij de invoering van het kadaster in 1832 blijkt het erve Meenderink, kadasternummer B247, op naam te staan van een neef van Johanna Roolifshuijs (1746-1813), t.w. landbouwer Gerrit Jan Roolefhuis (1768-1837). Gerrit Jan is in 1797 getrouwd met Miene Smeijers (1776-1827) van erve Meijer, de huidige Weerselosestraat 33, waar hij ook woont met zijn gezin en wordt daarom ook ook Gerrit Jan Meijer genoemd. De moeder van Miene is Geese Meenerinck (*1755), een zuster van bovengenoemde Joanna Menerink.
Jannes Tuninck blijft met zijn gezin wonen op het erve Meenderink, vermoedelijk tot zijn overlijden in 1839. Daarna verhuist zijn weduwe Maria Oude Deiperinkmet hun ongehuwde kinderen naar het Oale Meenderink, Weerselosestraat 29 wei, kadaster B262, dat volgens het kadaster nog wel eigendom was van Jannes Tuninck
Inmiddels was de eigenaar van het erve Meenderink Gerrit Jan Rolfshuis ook overleden en wordt het huis en erf in 1840 verkocht aan Fredrik Maria Maximiliaan van Heijde.
Rond 1850 wordt de boerderij waarschijnlijk verpacht aan Johannes Pikmaat (1821-1875), afkomstig uit Beuningen en zijn echtgenoteEuphemia Voorpostel (1820-1878). Het echtpaar krijgt er 8 kinderen. De oudste dochter Johanna Pikmaat (1848-1915) emigreert in 1873 naar de Verenigde Staten, zie Lees hier een artikel
Dochter Maria Pikmaat (1851-1916) woont na het overlijden van haar ouders enkele jaren met haar echtgenoot Johannes Dolders (1846-1936) en twee kinderen op het erve Stengman. In 1889 vertrekt het gezin Dolders-Pikmaat naar Tubbergen.
Tijink
In 1881 wordt de boerderij verkocht aan Gerrit Jan Tijink (1819-1889) uit Tilligte, in 1851 getrouwd met Joanna Kloppers (1810-1892). Van hem komt mogelijk de bijnaam Stengman. De boerderij gaat later over op de oudste zoon Hendrikus Tijink (1852-1909), in 1884 getrouwd met Euphemia Maria Kok (1861-1944). Het echtpaar gaat er vermoedelijk rond 1890 wonen met hun kinderen.
In 1902 wordt de boerderij gesloopt en herbouwd onder het kadastrale nummer B1755. Het eigendom gaat daarna over op hun zoon Gerard Tijink (1888-1966), die ongehuwd blijft. Hij woont daar met zijn ongehuwde broer Jan (1897-1961) en nog ongehuwde jonge zusjes Trui (1900-1986) en Mien (1907-1979). Hun vader was overleden toen ze nog maar 12, 9 en 2 jaar oud waren.
Het kadaster vermeldt dat Marie Oude Nijhuis (1911-1995) de vruchtgebruikster wordt van de boerderij. Haar bidprentje vermeldt dat zij "bij verschillende families in Rossum heeft gewerkt. Na een aantal jaren kwam zij bij de familie Tijink in Agelo, waar zij de gelukkigste periode van haar leven beleefde". Aannemelijk is dat zij na het overlijden van moeder Euphemia Maria Kok in 1944, als dienstbode voor de beide ongehuwde zoons in dienst komt.
Na het overlijden van de broers in 1961 en 1966 erft zij de boerderij en in 1969 trouwt zij met de weduwnaar Hendrik van der Maas (1899-1975), die een transportbedrijf had aan de Oldenzaalsestraat. De boerderij wordt dan verkocht.
Steghuis
In 1970 wordt het perceel in vier gedeelten verkocht. De boerderij krijgt het kadastrale nummer B2289 en wordt eigendom van Gerard Herman Maria Steghuis. De andere drie delen kregen de nummers B2290, B2291 en B2292. De buren Bernard Luttikhuis (1897-1998) en Gerard Wiegink (1911-1999) worden daarvan de eigenaren.
In 1975 vindt er een ruilverkaveling plaats. De boerderij krijgt het kadastrale nummer Q213.
Gerard en zijn vrouw Ria maken de boerderij geschikt voor het houden van mestkuikens. Begin jaren tachtig is het bedrijf nog eens aangepast voor het houden van mestvarkens. Momenteel wordt de boerderij niet meer gebruikt voor agrarische doeleinden.
Herkomst: Herman Steigstra
Datum: ± 2020


