Henk Eweg: De omwalling van Ootmarsum

WERKGROEP ARCHEOLOGIE/GEOLOGIE

Met 2 onderwerpen hebben we ons het afgelopen jaar bezig gehouden: de stadsopgravingen (zie hierna) en de Commanderie. Over dit laatste hier iets meer. In het voorjaar van 1988 hebben wij in één van de volkstuintjes in dat gebied met een lange dunne ijzeren buis in de grond geboord en wanneer we binnen 1½ meter op een hard voorwerp stootten, dan werd dat op een kaart aangegeven. De tuin hadden we in lijnen verdeeld en we boorden om de meter in de grond. Zo konden we zien dat er over een lengte van 3 meter op 80 cm. diepte iets in de grond moest zitten. Na 2 gebroken schoppen en een halve dag graven, vonden we een groot aantal brokken zandsteen, waarvan één stuk te herkennen was als een raamornament. Wat het geweest is weten we niet, maar we denken zelf eerder aan een puinstortplaats dan aan de fundering van de Commanderie.

Om het hele gebied zó aan te pakken leek ons onbegonnen werk en na een vergadering besloten we de zaak groots aan te pakken. H. Oude Rengerink, archeologiestudent te Leiden, maakte, na uitvoerig alle bekende gegevens nog eens te hebben bestudeerd, een werkplan. De heer Hulshof (oud-directeur van het Rijksmuseum te Enschede) bestudeerde dit plan en hij moest toegeven dat dit vermoedelijk beter was dan wat hij eerder zelf had gepubliceerd en dat de Commanderie iets dichter bij de stad moet hebben gelegen. Hierdoor werden we gesterkt en een speciale werkgroep probeerde geld bij elkaar te halen en met de grondeigenaars te overleggen. Met deze gegevens wilden we naar de gemeente om ons voorstel te bespreken.

Voordat het echter zover kwam, hadden we eerst nog kontakt met de heer A. Verlinde (provinciaal archeoloog) en die gaf ons weinig kans van slagen, omdat de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek hiervoor toestemming moest verlenen. Dit zou wel niet gebeuren omdat zij geen tijd en geld heeft om aan dit voor hen niet zo belangrijke onderwerp (de plaats is immers ongeveer bekend en er is niets te zien) aandacht te besteden. Bovendien wordt de plaats niet bedreigd. Alleen mogen we er niet grootscheeps gaan graven, zodat we op dit moment een beetje vast zitten. We beraden ons hoe we de zaak verder aan moeten pakken, want we hebben het nog niet opgegeven om de precieze lokatie van de Commanderie met de kapel vast te stellen.

De R.O.B. vindt het dan wel niet zo belangrijk, maar wij des te meer!

H. Oude Elberink,
Leider.

DE OMWALLING VAN OOTMARSUM

Het plan van de werkgroep archeologie en geologie van de Stichting Heemkunde Ootmarsum om tijdens de werkzaamheden ter vervanging van de riolering en de renovatie van de West- en Oostwal een onderzoek te doen naar het verloop en hoedanigheid van grachten en wallen zoals deze aanwezig waren, was aanleiding tot het hierna volgende verslag. Doel was een summier onderzoek te doen naar wat mogelijk in historische bronnen te vinden was m.b.t. de wallen en grachten. Het verslag wil niet volledig genoemd worden, omdat er meer gegevens zijn; in die zin is er een keuze gedaan.

Ons verslag begint feitelijk met het jaar 1393. Hieraan kon niet voorbij gegaan worden, immers vindt er dan een rechtsoverdracht plaats tussen de schepenen (stadsbestuur) van Ootmarsum en de Twentse adellijke familie van Sconevelde, bewoners van een havezate in het naburige Wilsum (Dsl.). Een lid van deze familie is o.a. in 1430 ambtsman (rentmeester) van Twente.

Het gaat dan over een deel van de plaats waar de begriete op staat en de graven nabij de Poelsteeg (de weg komende van Oldenzaal).

In 1393 is er voor de 1e keer sprake van een graven of gracht; ter vergoeding van de grond die afgegraven is voor versterking van de stad schenkt Frederik van Blankenheim, Bisschop van Utrecht, in 1397 de stad een ander stuk grond.

Enige jaren later, in augustus 1402 geeft de bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim vanuit Deventer Ootmarsum het recht de stad met grachten en wallen te omgeven. Het was ook eigen belang van de bisschop om aan de grens van zijn bisdom een versterkte stad te hebben.

Omstreeks 1404 was het werk klaar. De grachten of ook wel singelgraven genoemd, hadden een gemiddelde diepte van ± 3 m., bij een breedte van ± 7 à 10 m en een totale lengte van ongeveer een km. De uitgegraven aarde van de grachten werd op de oevers geworpen zodat er een binnenwal en een buitenwal gevormd werd. Tussen de 2 grachten werd de wal ingeplant met doorn-hagen. De binnenzijde van de binnengracht liep wat op.

Omstreeks 1405 wordt de stad door de bisschop voor het verrichte werk beloond met enige voorrechten.

Het bleek inmiddels ook nodig te zijn beschoeiingen aan te brengen tegen het wegzakken van de grond. Aan 2 kanten van de stad (uitvalsweg Marktstraat en uitvalsweg Grotestraat, vroeger Schiltstraat genoemd) werden eikenhouten ophaalbruggen geplaatst.

De eerste poort die gebouwd werd kan de zgn. Poelsteeginckpoort zijn; in 1431 wordt hiervan het eerst gesproken. (Poelstegge nu Oldenzaalsestr.)

Waterbouwkundig waren de werken interessant, omdat zoals uit een verdrag uit 1450 blijkt en dat in 1603 via een juridisch proces nogmaals herhaald werd dat er in de stadswal of er naast goten of leidingen lagen, zodat er vanuit de binnengracht water gebruikt kon worden om land van de Hofmeyer de Selencamp te bevloeien terwijl als dit gebeurde de Commandeur van het Duitse Huis (Commanderie) dan geen water mocht gebruiken om zijn molen te laten draaien. Tevens mochten de goten niet verlegd worden.

In 1524 wordt dan gesproken van de buitenste wal voor de beide poorten, dat betekende dat er een binnen- en buitenpoort was met daarnaast twee “hagedueren” die toegang gaven tot de wallen (beplant met hagen).

Voor de verdediging van de wallen waren deze verdeeld in rotten. Ieder van de rotmeesters had een deel van de wal toegewezen gekregen zoals in 1536 beschreven werd, zo had o.a. „Johan Wolter van Gert Egberts tot Johan Alfers spiker” de verantwoordelijkheid voor dat deel van de wal (dus van spiker tot spiker = bepaalde opslagschuur).

Op de wallen waren zgn. „mesecouwen” gebouwd. Dit waren uitstekende torentjes lijkende op een soort vogelkast (wellicht voor het opstellen van geschut?).

Teneinde de verdedigingswerken in goede staat te houden moest er regelmatig onderhoud plaats vinden.

Zo werd er in 1548 veel aan de grachten gewerkt. In de stadsrekeningen wordt gesproken over een man, die het water af moest laten lopen uit de gracht zodat erin gegraven kon worden; daarvoor ontving hij 2 stuivers. Ook werd er pootvis in de gracht uitgezet, terwijl er ook veel eenden in zwommen.

De Spaanse tijd (tachtigjarige oorlog) gaf veel veranderingen in de verdedigingswerken. Zij moesten versterkt worden; in de poorten werden kleine poortjes gemaakt en ook werden er wachthuisjes op de wallen geplaatst. Dit gebeurde ook voor de poorten. De wallen werden op goede hoogte gebracht en zo nodig vernieuwd.

Achter het huis van „Kips Egbert” werd een rondeel aangelegd. In 1581 vermeldt een stadsrekening dat Hans van Gronouwe en Johan Richters de schans maakten.

Teruggaande naar het jaar 1560, of omstreeks dat jaar, is dit jaar voor de topografie van Ootmarsum van groot belang. Jacobus van Deventer krijgt dan opdracht van de Spaanse koning Philips de IIe o.a. Ootmarsum (en vele andere steden) in kaart te brengen. Deze kaart, waarvan het origineel in Spanje is, laat de omwalling goed zien; duidelijk zijn de twee grachten en het oude stratenverloop. Volgens de kaart zijn de grachten niet overal even breed geweest. De breedte van de grachten kan van 7-10 m. geweest zijn. Wellicht geeft het onderzoek ter plaatse uitsluitsel!

Vanaf de Commanderie tot aan de buitenste wal zien we een grote kolk liggen waarin o.a. de „Vinkenbekke” uitkwam. Hoe men het water in de grachten op peil heeft weten te houden gezien het hoogteverschil van verschillende plaatsen rondom de stad is ook niet helemaal duidelijk.

Of er stuwen waren in deze tijd, dus omstreeks 1560, is uit niets gebleken, wel later n.l. in 1884 (verlaat).

Op 30 juli 1592 wordt Ootmarsum ingenomen door de troepen van Prins Maurits, maar op 2 september 1593 weer door de Spaanse troepen teruggenomen. De uiteindelijke definitieve verovering door Maurits vindt dan plaats op 20 oktober 1597.

Enkele dagen later krijgt Ootmarsum van Prins Maurits min of meer het bevel (evenals Enschede!) de stad te ontmantelen. De muur van de Zuiderpoort of Poelpoort (Almelose kant) wordt dan gesloopt, van de wallen werden gedeeltelijk tuinen of gaarden gemaakt en de binnengracht bleef nog bestaan. Het wachthuisje bij de Steenpoort wordt omgebouwd tot smederij.

Toch gingen deze ingrepen Maurits niet ver genoeg. Op 19 november 1598 werd nogmaals uitdrukkelijk verboden de stad ook maar in het minst te versterken op gevaar af, dat alles weer zou worden geslecht of ook wel dat dan de gehele stad „geruïneerd” zou worden!

Omstreeks 1600 kregen de poorten een ander doel. Zowel de Holten Poort of Steenepoort uitgang Denekamp als de Poel- of Zuiderpoort kreeg de functie van beveiligingspoort en niet meer ter verdediging. De buitenpoorten werden afgebroken en de ophaalbruggen kwamen te vervallen. Er werden waarschijnlijk dammen aangelegd in de grachten.

In het jaar 1618 vraagt de Drost van Twente aan het gemeentebestuur „een zwangere tovenares” in de poort gevangen te mogen houden.

De ontmanteling op bevel van Maurits had vooral betrekking op het slechten van de wallen en poorten en niet zozeer op de grachten, want in 1613 wordt er nog gesproken over het uitgraven van de gracht.

Waarschijnlijk moeten we het ons zo voorstellen dat de binnengracht voor een deel gedempt is geworden en hier op gebouwd is of tuinen op aangelegd zijn. De buitengracht bleef bestaan en werd ook onderhouden: 1763-1765-1768-1769. Zo vindt er in 1794 een aanbesteding plaats voor het „uitmodderen” van enige percelen van de stadgracht. Er wordt dan gesproken over de „stadsgracht” en niet over de grachten.

Ook waren er op dat tijdstip bruggetjes over de stadsgracht. Deze bruggetjes waren dus over de gracht aangebracht en kwamen uit op een voetpad dat rondom geheel Ootmarsum liep. Kennelijk wordt dus de buitenste gracht bedoeld.

Verdere demping van de gracht vindt dan plaats in 1884, 1886, 1887 en 1897. In 1884 wordt gesproken over demping gracht achter ’t klooster tot aan de stuw.

In de vergadering van de gemeenteraad van 1 augustus 1911 werd besloten tot demping van de zgn. Kipsgraven en een deel van de gracht achter het klooster. De laatste restanten zijn enkele jaren hierna dicht gegooid.

Ingrijpende moderniseringswerkzaamheden volgden dan in 1935; op 26 oktober 1935 vindt aanbesteding plaats inzake het leggen van een riolering wat nodig was gezien de modderige en slechte toestand waarin de wal verkeerde.

Ter breedte van 7 m. werd de gehele wal die ongeveer 1 km lang was, van alle bomen en struikgewas ontdaan en geëgaliseerd. Verharding met klinkers en het aanbrengen van trottoirbanden volgt.

Een en ander vond ook plaats in het kader van de werkverschaffing; er was sprake van werkloosheid.

Hiermede kwam na ongeveer 542 jaar een definitief einde aan datgene wat de omwalling van Ootmarsum was geweest.

De werkgroep hoopt nu bij verder onderzoek aanwijzingen te vinden hoe het precieze verloop van een en ander geweest is. Wellicht kunnen, te graven sleuven en profielen uitsluitsel geven, evenals bepaalde aardewerkscherven of andere voorwerpen ons iets kunnen leren over de leefwijze van onze vroegere stadsgenoten.

Werkgroep Archeologie/Geologie
H.J. Eweg

Bronnenvermelding

Bijdragen geschiedenis Archidiaconaat Twenthe J. Geerdink
Twenthe C.J. Snuif
Stad en land van Twenthe L.A. Stroink
Geschiedenis van Overijssel Kluwer
Twentse Eigenheimers G.J. ter Kuile
Uit het land van katoen en heide J.J. van Deinse
Mens en land in de middeleeuwen B.H. Slicher van Bath
Jaartallenboekje Heemkunde Ootmarsum
Oud Archief Ootmarsum W.J. Formsma

Artikelen:

„De wallen van Ootmarsum” W.H. Schukking
„Van wal tot promenade” A.H.G. Weustink
„Een paar oude schansen in Twente” W.H. Schukking

Topografie:

Stadskaart van Ootmarsum    1560 Jacob van Deventer
Hottingerkaart    einde 18e eeuw
Meerdere uitgaven stafkaart Twente Top. dienst Emmen
Kadasterkaart    1829 Rijkskadaster

Oud archief Ootmarsum
Verschillende akten
Stadrekeningen
Gemeenteraadsverslagen

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1988, pagina 23: Henk Eweg: De omwalling van Ootmarsum

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.

Ga naar de inhoudsopgave van 1988 →
Henk Eweg: De omwalling van Ootmarsum
2026-10-25 09:43:46