Sequoia

NATUURSTUDIEGROEP

Het afgelopen jaar heeft onze groep twee maal de kalkgroeven in Lengerich bezocht. De excursie die we in de zomer maakten, was evenals andere jaren, heel bijzonder door de vele zeldzame planten die we aantroffen. Bij de jeneverbessen zagen we zaailingen van deze coniferen. In Twente hadden we dat nog nooit gezien. De herfsttocht naar Lengerich stond in het teken van de paddestoel.

Ook houdt de groep zich nu bezig met het inventariseren van de berm Steenmatenweg. Indien mogelijk, ieder excursie op zaterdag.

Aan de paddeval op de Ageler Es werd meegewerkt. In het jaarboekje van 1987 heeft mevr. J. v. Zuilekom daarover een duidelijk verslag gemaakt.

De erosiedalen in de gemeente Ootmarsum hebben onze speciale aandacht. Deze beekdalen zijn van onschatbare waarde en met de zeldzame flora moeten ze behouden blijven.

Door een bijdrage van het Anjerfonds waren we in de gelegenheid een microscoop aan te schaffen. Voor het determineren van mossen en grassen onontbeerlijk. Twee groepsleden kregen we er dit jaar bij. Mevr. Olde Riekerink en de heer L. Limburg kwamen de gelederen versterken.

Leider A. Horsthuis
Rapporttrice L. Willemsen.

SEQUOIA

De grondige opknapbeurt van Engels’ Tuin was voor onze groep aanleiding om enige aandacht te besteden aan een bijzondere boom in de tuin, n.l. de sequoia.

Het huidige Europa is met zijn 50 inheemse boomsoorten slecht bedeeld. Toch heeft het ooit eenzelfde soorten- en vormenrijkdom gekend als de gematigde streken in de gebieden, die we nu Amerika en Azië noemen. Dat moet ongeveer 1 miljoen jaar geleden zijn. Het noordelijk halfrond was toen, dank zij het heersende gelijkmatige en warme klimaat, bedekt met een uitbundige vegetatie van planten en bomen. Maar toen begonnen de ijstijden. In het Amerikaanse gebied kon de vegetatie zich zonder enige moeite verspreiden naar de relatief warme gebieden in het Zuiden. In Europa werd zo’n terugtocht moeilijk door de oost-west lopende bergketens. Wie er niet in slaagde uit te wijken of zich aan te passen aan het veel killere klimaat, was verloren.

Na de ijstijden konden in Amerika en Azië veel soorten, die zich in het zuiden hadden teruggetrokken, weer naar het noorden oprukken. In Europa lukte het alleen maar aan wat resten van de oorspronkelijke vegetatie de weg over de bergen naar het vroegere woongebied terug te vinden. Dit blijkt uit de volgende vergelijking: Europa kent 7 inheemse soorten dennen, Amerika kent er wel 35. Veel van de Aziatische en Amerikaanse soorten hebben zich vroeger in Europa opgehouden. Zo kwam b.v. de typisch Amerikaanse sequoia er vrijwel overal voor.

Sequoia
Foto: Caspar Kouijzer: Sequoia dendron giganteum

En over deze sequoia willen wij het hebben. Twee kenmerkende soorten coniferen (Conus is de kegel – ferre is drager) zijn afkomstig uit Californië. De ene is de hoogste levende boom ter wereld, de andere de breedste. Ze zijn nauw aan elkaar verwant en heten allebei sequoia. Deze naam herinnert aan het beroemde Indiaanse opperhoofd Sequoyah, die voor zijn volk een alfabet ontwierp. De eerste boom, die ontdekt werd, was de gewone sequoia (sequoia sempervirens). De Spanjaard Don Gaspar de Pabola vond in 1769 dichte bossen van deze prachtige groenblijvende bomen. Het loof was donker gekleurd en ze waren hoger dan alle andere bomen, die bekend waren. De rechte stam loopt spits toe en de schors is zeer dik, vezelig, zacht en roestbruin van kleur. Veel stammen bereiken een hoogte van ruim 30 meter voordat de eerste zijtakken verschijnen. Het blad van een jonge sequoia blijkt opmerkelijk veel te lijken op dat van de gewone taxus. Het groeit in 2 rijen van platte naalden. Aan de bovenkant zijn ze donkergroen en lichter aan de onderkant. Een duidelijk kenmerk van de sequoia is, dat de naalden op uitlopers van verschillende jaren, verschillende lengten hebben. Naar het einde van de tak toe zijn de naalden korter, aan het begin langer.

Een ander verschil is, dat er bij de sequoia altijd korte schubben aan het begin van een bladscherm zitten. Verdort het blad na een paar jaar, dan valt het als één geheel van de tak af. Bij de taxus vallen alle naaldjes afzonderlijk. Rechtopstaande uitlopers dragen alleenstaande naalden, die spiraalsgewijs rond de stam groeien. Bij het omhakken bleken ze onder de dikke schors een dunne ring van lichtgeel spint te hebben. Daaronder lag het bijzonder dikke kernhout, roodachtig bruin van kleur, duurzaam, sterk en gemakkelijk te bewerken. Door pioniers in Californië werd dit hout al gauw de meest gebruikte houtsoort. Gelukkig groeit de boom weer snel aan. Zaailingen komen op open plekken van het bos en de stronken van omgehakte bomen lopen snel weer uit. Dit is overigens een zeer ongebruikelijke eigenschap voor een conifeer.

De tijd, die een conifeer nodig heeft om te groeien, wordt gemeten in honderden en zelfs duizenden jaren. Net voor het te laat was, beseften de bewoners van Californië, dat hun unieke oude bomen sterk bedreigd werden door de houthakkers. De mooiste exemplaren worden sindsdien beschermd in reservaten. Het officiële hoogte record is 112 meter voor een boom op Dyerville Flats. De dikste boom heeft een omtrek van 20 meter en is waarschijnlijk 2000 jaar oud. Sequoia’s kunnen 2200 jaar oud worden. Het tellen van jaarringen heeft dat aangetoond. Deze geweldige bomen komen voort uit minime zaadjes. Na de bestuiving rijpen de vrouwelijke bloemen in de loop van de volgende zomer tot bruine ovale kegels. Deze blijven jarenlang aan de tak zitten. Onder de schubben van deze kegel ontwikkelen zich de zaadjes. Ze hebben 2 dunne samengevoegde zaadvleugels, zodat ze gemakkelijk met de wind meegevoerd kunnen worden.

Rond 1840 werd de sequoia naar Rusland gebracht. De volgende 20 jaar werden op veel landgoederen in heel West-Europa exemplaren van deze boom aangeplant. Nergens zijn echter de omstandigheden zo gunstig voor de groei van de sequoia als in het vaderland Californië. De reuzensequoia (Sequoia dendron giganteum) is als inheemse boom slechts in een paar valleien in de Californische bergen blijven bestaan. John Bitwell ontdekte in 1841 een sequoiabos bij de bron van de rivier de Sacramento in de Sierra Nevada. Tegenwoordig zijn 70 aparte sequoiabossen bekend, meestal in diepe valleien op een hoogte tussen 1500-2400 meter. Al gauw begreep men, dat het om een zeldzame boom ging.

De reuzensequoia’s in Californië zijn langzaam gegroeid. Hun hout lijkt op dat van de gewone sequoia. In Europa groeit de boom veel sneller en levert licht, zwak hout op. De schors van de reuzensequoia ziet er ook anders uit dan die van de gewone. Ze is lichtgrijs van kleur, maar ook dik, zacht en vezelig. Bij een harde vuistslag op de stam van een sequoia blijven de knokkels ongedeerd, zo zacht is de schors. De reuzensequoia draagt een harnas van taaie, puntige lichtgroene naalden, die elkaar overlappen. Ze bedekken de tak helemaal en verbergen de knoppen. Na een paar jaar verdorren de naalden en vallen af in korte, verweerde takjes.

Mannelijke en vrouwelijke bloemen van de reuzensequoia lijken op die van de gewone sequoia. Daaraan is duidelijk de verwantschap te zien. De kegels zijn echter groter, 5 cm. in doorsnee. Het duurt 2 jaar voordat deze kegels rijp zijn. In 1853 werd er zaad van de reuzensequoia naar Europa gestuurd. De boom werd hier snel populair vanwege de prachtige lichtgroene kleur van het loof en de fraaie kegelvorm van jonge exemplaren. Hij is winterhard en past zich goed aan. Tegenwoordig treft men de reuzensequoia aan op veel landgoederen en in parken. In Ootmarsum kunnen we een sequoia in Engels’ Tuin bewonderen.

Als de reuzensequoia op een grote vlakte wordt aangeplant, handhaaft hij zijn mooie kegelvorm met takken, die bijna op de grond hangen. Het grootste exemplaar in Engeland is ruim 50 meter hoog en de breedste reuzensequoia heeft een omtrek van 9 meter. Ze kunnen nog wel eeuwen leven en wel eens net zo groot worden als de exemplaren in Californië. Toch lijkt het waarschijnlijker dat de records gebroken zullen worden in Italië, waar het klimaat warmer is. Ook in Zuid-Afrika en Australië komt de reuzensequoia voor.

Bronnen:

Bomen. Uitgever: Lekturama.
Wonderen van het woud. Geschreven: Door W. van Stuyvenberg.

De natuurstudiegroep.

 

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1988, pagina 28: Sequoia

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.

Ga naar de inhoudsopgave van 1988 →
Sequoia
2026-10-24 03:48:07