Hans Bolscher: Winterkoning

 

(Troglodytes troglodytes)

Winterkoning
Het winterkoninkje, een graag geziene gast in onze tuin

Wie in zijn tuin niet alleen van bloemen en planten weet te genieten, maar ook oog heeft voor onze gevederde vrienden, kan gemiddeld 10 tot 15 vogelsoorten waarnemen. Een van de leukste bezoekers zal dan zeker het winterkoninkje zijn. Hoewel dit vogeltje slechts 9,5 cm groot is en voorzien van een roestbruin, dwarsgestreept verenkleed, is het vaak zeer nadrukkelijk aanwezig. Met zijn typisch rechtop staand staartje beweegt het zich als een muis door de tuin. Het scharrelt het liefst onder dicht struikgewas en langs randen van borders en muren. Ook in de nabijheid van een wat dicht begroeide vijver voelt het vogeltje zich zeer op zijn gemak.

Wanneer we het geduld kunnen opbrengen om het winterkoninkje een tijdlang te volgen, zal het ons in een mum van tijd de mooiste plekjes van de tuin laten zien. Vanuit de coniferenhaag meldt “Klein Jantje”, zoals hij ook wel wordt genoemd, zich met een luid “zek – zek” en een rollend “tserrrr”. Voorzichtig komt het te voorschijn en hupt wat zenuwachtig rond in de onderste regionen van de begroeiing. Plotseling wipt het beestje omhoog en gaat op het hengsel van een bloemengieter zitten, die achteloos aan de rand van een border staat. Ietwat schielijk steekt hij het terras over, nadat hij eerst nog op de leuning van een tuinstoel een luid schetterend lied ten gehore heeft gebracht. Dan brengt hij een bezoek aan de vijver, op zoek naar een rups of een slak. Het is zelfs mogelijk dat U het winterkoninkje kunt betrappen op het stelen van een goudvisje. Na wat uit de vijver gedronken te hebben en het snoepen van een aantal bladluizen, begeeft de winterkoning zich naar de clematis die zich rond de pergola omhoog heeft geslingerd. Hier bevindt zich een van de vele kogelvormige nestjes die het winterkoningmannetje in zijn territorium heeft gebouwd. Als nestmateriaal gebruikt hij gras, mos en dode bladeren. Vlak voor het nestje gaat hij op een takje zitten en begint opnieuw zijn luid schetterend lied te zingen. Hiermee probeert hij, vooral ’s morgens vroeg een vrouwtje te lokken. Het vrouwtje zal uiteindelijk een keuze maken uit het ruime aanbod van nesten, die door het mannetje gemaakt zijn. Zo bevindt zich een nestje tussen de haardblokken in het houtloodsje en er zit er ook een in een gat in de muur van het oude schuurtje. Ook in het nestkastje dat aan de voorzijde half open is en dat een beetje verscholen aan de boom hangt, heeft hij er een gemaakt. Ik heb zelfs een foto gezien van een nest dat een winterkoning had gemaakt in een oude werkbroek die ergens onder een afdak hing. Als het vrouwtje half april, begin mei, de echtelijke woning heeft uitgekozen, bekleedt ze zelf de binnenkant met veertjes en haar en legt ze 5 tot 8 witte, fijn roodgespikkelde eitjes. Ze broedt ze in haar eentje uit in ongeveer 14 dagen, waarna ze de jongen aanvankelijk zelf en wat later met behulp van het mannetje, voedt met insecten, spinnen en slakken. In juni of juli broedt het paartje meestal nog een keer. Erg opmerkelijk is dan dat de jongen van het eerste broedsel helpen bij het verzorgen van het tweede stel nakomelingen. Als het voedselaanbod in een bepaald jaar erg goed is, wil het mannetje nog wel eens proberen een tweede, of zelfs een derde vrouwtje binnen zijn territorium te lokken. Voor huisvesting heeft hij immers al volop gezorgd.
Nesten waarin niet wordt gebroed, gebruikt de winterkoning als slaapplaats. Het winterkoninkje is in ons gebied een echte standvogel. Veel vogels trekken in de winter echter wel naar de bossen, waar ze zich het liefst vestigen in de nabijheid van een beek. ’s Winters wanneer er sneeuw ligt maakt de winterkoning, in tegenstelling met zijn naam, erg moeilijke tijden door. Dit komt vooral, omdat hij zijn voedsel voornamelijk op de grond moet zoeken. Tijdens zeer (strenge) winters kan wel zo’n 25% van de populatie sneuvelen. Erg dankbaar zijn de winterkoninkjes voor een sneeuwvrij plekje op de grond onder de heg, struik of een afdakje van dennetakken, waarop dan stukjes cake, broodkruimels of geraspte kaas wordt gestrooid. Ons winterkoninkje is het enige Europese lid van de familie met de moeilijke latijnse naam Troglodytidae. Gelukkig zijn wij Twentenaren wat eenvoudiger in onze naamgeving en noemen wij dit schitterende vogeltje Klein Jantje of Nettelkoninkje of Kroetjen. (troglodytes = holbewoner).

Hans Bolscher

Oorspronkelijke bron
Jaarboek Heemkunde 1992, pagina 23: Hans Bolscher: Winterkoning

Dit artikel toont de tekst van de oorspronkelijke publicatie in het jaarboek. De opmaak kan voor deze webversie licht zijn aangepast. Veel afbeeldingen in deze artikelen zijn 'aanklikbaar', waarna een uitgebreidere beschrijving wordt getoond.

Ga naar de inhoudsopgave van 1992 →
Hans Bolscher: Winterkoning
2026-10-25 09:17:47